ECLI:NL:RBDHA:2025:24767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.56475
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 17 Dublinverordeningartikel 3 EVRMartikel 4 EU Handvestartikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland. Dit houdt in dat de minister mag vertrouwen op de correcte behandeling van asielzoekers door Zwitserland conform het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht. De minister heeft voldoende onderzoek gedaan naar mogelijke structurele tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure en opvang.

Eiser stelde dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest bij overdracht aan Zwitserland, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt met concrete aanwijzingen of documenten. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening faalt omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet van toepassing is.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56475

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 16 oktober 2025 bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 20 oktober 2025 aanvaard.

Mag de minister voor Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?

5. Eiser betoogt dat de minister voor Zwitserland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser voert aan dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de situatie van eiser om bij overdracht aan Zwitserland verstoken te blijven van reguliere opvang en toegang tot de (opvolgende) asielprocedure. Eiser meent dat hij een voorzienbaar risico loopt om op straat te belanden dan wel in detentie vanwege uitzetting. Eiser vreest dat hem daarom ook geen gelegenheid zal worden geboden zich te beklagen en zijn asielrelaas te onderbouwen als het hem als Dublinterugkeerder al wordt toegelaten een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Volgens eiser loopt hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest, waardoor de minister voorafgaand aan het bestreden besluit de Zwitserse autoriteiten had moeten verzoeken om garanties met betrekking tot de opvang en toegang tot de asielprocedure.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Daarbij dient de minister wel na te gaan of sprake is van mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gedaan door in het besluit te verwijzen naar recente uitspraken van deze rechtbank. [2] Daar komt bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 25 januari 2025 nog heeft bevestigd dat voor Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [3] Het is vervolgens aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij een overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling. [4] Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [5] Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat eiser geen opvolgende asielaanvraag kan indienen, omdat hij een uitzettingsbevel heeft ontvangen is daarvoor onvoldoende. Nu eiser ook geen document heeft overgelegd om zijn betoog te onderbouwen kan de rechtbank niet toetsen wat het uitzettingsbevel precies inhoudt en of daaruit daadwerkelijk volgt dat eiser een bevel tot uitzetting heeft gehad. In dat wat eiser heeft aangevoerd, inclusief dat wat hij heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, ziet de rechtbank geen reden om anders te oordelen. Bovendien heeft Zwitserland via het claimakkoord gegarandeerd om eisers asielaanvraag in behandeling te nemen. Voorgaande betekent dat, anders dan eiser betoogt, op de minister geen (nadere) onderzoeksplicht rust. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast?
6. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gereageerd op dat wat eiser in de zienswijze in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening heeft aangevoerd.
6.1.
Eiser heeft in zijn zienswijze in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [6] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [7] volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is kan voor Zwitserland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van het gestelde risico op indirect refoulement. Verder heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij eisers asielaanvraag niet aan zich trekt. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, maakt niet dat de minister hierop nader had moeten reageren. Eiser heeft namelijk enkel gesteld dat sprake is van individuele omstandigheden, maar heeft niet toegelicht welke individuele omstandigheden dit zijn en waarom deze omstandigheden moeten leiden tot toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195 (arrest X).
5.Zie HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
6.ECLI:EU:C:2023:934.