Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer 2] , eiser en
[eiseres 2], V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres 2,
Rechtbank Den Haag
Eisers, van Syrische nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf om bij hun meerderjarige zoon en broer (referent) in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, vanwege het ontbreken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden.
Eisers voerden onder meer aan dat de bevoegde beslissingsautoriteit niet juist was, dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de afhankelijkheid en de moeilijke omstandigheden in Jordanië, en dat er een belangenafweging had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het besluit door een bevoegde ambtenaar was genomen en dat het zorgvuldigheidsgebrek kon worden gepasseerd.
De rechtbank stelde vast dat samenwoning en financiële ondersteuning alleen onvoldoende zijn om van beschermenswaardig familieleven te spreken. Ook was er geen bewijs van zorgafhankelijkheid of hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige zusje. De psychische klachten van referent en de moeilijke situatie in Jordanië rechtvaardigden geen andere conclusie.
Daarom bleef het besluit tot afwijzing van de machtiging in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €1.814,- aan eisers.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.