In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 29 december 2025, gaat het om een beroep dat eiseres heeft ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiseres stelde dat de minister niet tijdig had beslist op haar asielaanvraag, ingediend op 3 februari 2024. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld en vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken. Eiseres had de minister verzocht om binnen twee weken alsnog te beslissen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, wat leidde tot het indienen van het beroep.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was. De minister werd opgedragen om binnen acht weken na de bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank hanteerde hierbij het ‘8+8 wekenmodel’ en oordeelde dat in dit geval, gezien de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden, een kortere beslistermijn passend was. Tevens legde de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt en eiseres heeft de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens is met de uitspraak.