Eiseres diende een asielaanvraag in op 30 december 2024. De minister besloot niet binnen de wettelijke beslistermijn, waarna eiseres de minister verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen. De minister kwam hier niet aan tegemoet, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was verstreken en verklaarde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank volgde daarbij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het ‘8+8 wekenmodel’ hanteert, en legde een nieuwe beslistermijn van zestien weken op aan de minister.
Daarnaast legde de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister deze termijn overschrijdt. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiseres kreeg hiermee het recht op een tijdige beslissing en een financiële prikkel om de termijn na te komen.