Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag van 23 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op basis van het 8+8 wekenmodel, zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet de minister binnen acht weken na het nader gehoor van 23 mei 2025 een besluit nemen. De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 30 december 2025.