Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, beroep heeft ingesteld tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 en was opgelegd op 12 december 2025. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel van bewaring op 18 december 2025 opgeheven, omdat eiser was overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank heeft op 23 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de focus lag op de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig was, ondanks de argumenten van eiser dat er sprake was van een schending van artikel 5 van het EVRM, omdat de info-set van de bewaringsstelling niet in het dossier was opgenomen. De rechtbank concludeerde dat de minister zich terecht op het standpunt stelde dat deze info-set een intern stuk was en geen invloed had op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Eiser had ook betoogd dat de minister hem op een onjuiste grondslag in bewaring had gesteld, maar de rechtbank oordeelde dat de Dublinverordening van toepassing was en dat de minister de juiste procedure had gevolgd.
Daarnaast werd de vraag behandeld of het detentiecentrum Rotterdam als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was en dat er geen bewijs was dat de omstandigheden in het detentiecentrum onrechtmatig waren. Eiser's verzoek om een lichter middel werd ook afgewezen, omdat de rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom inbewaringstelling noodzakelijk was. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.