ECLI:NL:RBDHA:2025:25517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke zaak met verzoek om schadevergoeding

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, beroep heeft ingesteld tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 en was opgelegd op 12 december 2025. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel van bewaring op 18 december 2025 opgeheven, omdat eiser was overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank heeft op 23 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de focus lag op de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig was, ondanks de argumenten van eiser dat er sprake was van een schending van artikel 5 van het EVRM, omdat de info-set van de bewaringsstelling niet in het dossier was opgenomen. De rechtbank concludeerde dat de minister zich terecht op het standpunt stelde dat deze info-set een intern stuk was en geen invloed had op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Eiser had ook betoogd dat de minister hem op een onjuiste grondslag in bewaring had gesteld, maar de rechtbank oordeelde dat de Dublinverordening van toepassing was en dat de minister de juiste procedure had gevolgd.

Daarnaast werd de vraag behandeld of het detentiecentrum Rotterdam als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was en dat er geen bewijs was dat de omstandigheden in het detentiecentrum onrechtmatig waren. Eiser's verzoek om een lichter middel werd ook afgewezen, omdat de rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom inbewaringstelling noodzakelijk was. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

1. Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring per 18 december 2025 opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Frankrijk.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Toetsingskader
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Had de minister de info-set in het dossier moeten plaatsen?
3. Eiser betoogt dat sprake is van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de info-set van de bewaringsstelling niet in het dossier is opgenomen. Eiser betoogt dat hierdoor geen sprake is van ‘equality of arms’. Volgens eiser heeft hij, of zijn gemachtigde, het recht op kennisname van de foto die gebruikt is bij de staandehouding, om te controleren of deze foto overeenkomt met de persoon van eiser.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat deze info-set een intern stuk is en geen betrekking heeft op de (toetsing) van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van eiser. [1] Volgens de rechtbank bestaat er geen reden om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens zou berusten zodat kennisname van de info-set niet noodzakelijk is. De relevante informatie over de staandehouding staat in de het proces-verbaal staandehouding, overbrenging, overdracht ex art 50 Vw 2000 (de M105) en in het verslag van binnentreden. Dat de foto aan de hand waarvan eiser is herkend, niet in het dossier is opgenomen, doet aan de rechtmatigheid van de staandehouding niet af. Op basis van het dossier is duidelijk dat de ambtenaren die ochtend de juiste persoon hebben staandegehouden. Dit heeft eiser ook niet bestreden. Van een schending van ‘equality of arms’ is de rechtbank dan ook niet gebleken. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat de minister ten onrechte niet de info-set aan het dossier heeft toegevoegd.
Is de bewaring van eiser op de juiste grondslag gebaseerd?
4. Eiser betoogt dat de minister hem op een onjuiste grondslag in bewaring heeft gesteld. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, op 12 december 2025, verklaard dat hij zich niet veilig voelt in Frankrijk. Dit had de minister als een opvolgende asielaanvraag moeten aanmerken en eiser op een andere grondslag in bewaring moeten stellen. De minister heeft echter pas op 18 december 2025 een opvolgende asielaanvraag van eiser geregistreerd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld. Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld is namelijk bepalend of de Dublinverordening op hem van toepassing is. [2] Niet in geschil is dat de eerste asielaanvraag van eiser op 5 augustus 2025 niet in behandeling is genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Het beroep tegen dit besluit is op 27 oktober 2025 ongegrond verklaard. Gelet hierop is de Dublinverordening op eiser van toepassing, waardoor hij op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld. Eiser heeft dit ook niet betwist. Los van de vraag of de minister de verklaring van eiser op 12 december 2025 had moeten aanmerken als asielaanvraag, doet dit niet af aan de grondslag van de maatregel van bewaring. Dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is, verandert daarmee namelijk niet.
Is het detentiecentrum Rotterdam aan te merken als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie?
5. Eiser voert aan dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerde inrichting is zoals bedoeld in artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn, omdat geen sprake is van ‘fresh air’. Het detentiecentrum Rotterdam ligt naast Rotterdam The Hague Airport waardoor volgens eiser de lucht vervuild is met schadelijke stoffen. Dit is een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM [3] en het maakt volgens eiser de inbewaringstelling onrechtmatig. Eiser heeft verschillende artikelen overgelegd die gaan over de luchtvervuiling rondom detentiecentrum Schiphol en betoogt dat ook bij detentiecentrum Rotterdam de lucht vervuild is vanwege de nabijgelegen luchthaven. Daarnaast voert eiser aan dat de aanwezigheid van de schadelijke stoffen leidt tot een schending van lichamelijke en psychische integriteit zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser komt het risico van dergelijke omstandigheden voor rekening van de minister, aangezien de minister heeft gekozen voor de bouw van het detentiecentrum op die locatie.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het detentiecentrum Rotterdam volgens vaste rechtspraak voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. [4] De rechtbank ziet in dat wat door eiser aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De artikelen die eiser heeft overgelegd gaan over detentiecentrum Schiphol, en er is volgens de rechtbank geen enkel (begin van) bewijs dat de informatie in deze artikelen ook betrekking heeft op detentiecentrum Rotterdam. Bovendien is niet gebleken dat eiser persoonlijk last heeft van de gestelde luchtvervuiling. Ook is niet gebleken dat eiser van een schadelijke luchtvervuiling in het detentiecentrum Rotterdam melding heeft gedaan bij de directeur van het detentiecentrum, aangezien deze klacht ziet op het regime waarbinnen de vreemdelingenbewaring feitelijk wordt uitgevoerd. Van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 8 van het EVRM is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn conclusie dat de inbewaringstelling alleen al om deze reden onrechtmatig is.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Daarnaast had vanwege de vervuilde lucht rondom het detentiecentrum Rotterdam en daardoor het ontbreken van ‘fresh air’ een lichter middel opgelegd moeten worden.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in de maatregel voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat er omstandigheden zijn die ervoor zouden moeten zorgen dat de minister een lichter middel had moeten opleggen of dat eiser detentieongeschikt zou zijn. Wat betreft de vervuilde lucht en het ontbreken van ‘fresh air’, verwijst de rechtbank naar dat wat onder rechtsoverweging 2.1. is overwogen.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister
en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5043.
2.ABRvS 24 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2024:4297.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103 of ABRvS 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september