In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2025, waarin de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft opgelegd. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 23 december 2025, waarbij de eiser niet zelf aanwezig was, maar wel vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister was eveneens vertegenwoordigd.
De rechtbank heeft de argumenten van de eiser beoordeeld, waaronder de stelling dat de info-set die gebruikt is bij de staandehouding niet in het dossier aanwezig was, wat volgens hem een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de info-set een intern stuk is en geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. De rechtbank concludeerde dat er geen reden was om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens berustte.
Daarnaast heeft de eiser betoogd dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is, omdat het naast een luchthaven ligt en daardoor luchtvervuiling zou veroorzaken. De rechtbank oordeelde dat het detentiecentrum voldoet aan de eisen van een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie en dat er geen bewijs was dat de eiser persoonlijk last had van de luchtvervuiling. De rechtbank verwierp ook het argument dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, omdat de minister voldoende gemotiveerd had dat er geen andere opties waren.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.