ECLI:NL:RBDHA:2025:25520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2025, waarin de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft opgelegd. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 23 december 2025, waarbij de eiser niet zelf aanwezig was, maar wel vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister was eveneens vertegenwoordigd.

De rechtbank heeft de argumenten van de eiser beoordeeld, waaronder de stelling dat de info-set die gebruikt is bij de staandehouding niet in het dossier aanwezig was, wat volgens hem een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de info-set een intern stuk is en geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. De rechtbank concludeerde dat er geen reden was om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens berustte.

Daarnaast heeft de eiser betoogd dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is, omdat het naast een luchthaven ligt en daardoor luchtvervuiling zou veroorzaken. De rechtbank oordeelde dat het detentiecentrum voldoet aan de eisen van een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie en dat er geen bewijs was dat de eiser persoonlijk last had van de luchtvervuiling. De rechtbank verwierp ook het argument dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, omdat de minister voldoende gemotiveerd had dat er geen andere opties waren.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Had de minister de info-set in het dossier moeten plaatsen?
1. Eiser betoogt dat sprake is van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM [1] , omdat de info-set ten name van eiser, die is gebruikt om hem te identificeren bij de staandehouding, zich niet in het dossier bevindt. Eiser betoogt dat hierdoor geen sprake is van ‘equality of arms’. Volgens eiser heeft hij, of zijn gemachtigde, het recht op kennisname van de foto die gebruikt is bij de staandehouding, om te controleren of deze foto overeenkomt met de persoon van eiser. Volgens eiser is de staandehouding daarmee onrechtmatig.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat deze info-set een intern stuk is en geen betrekking heeft op de (toetsing) van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van eiser. [2] Volgens de rechtbank bestaat er geen reden om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens zou berusten zodat kennisname van de info-set niet noodzakelijk is. De relevante informatie over de staandehouding staat in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging, overdracht ex art 50 Vw 2000 (de M105) en in het proces-verbaal van binnentreden. Dat de foto aan de hand waarvan eiser is herkend, niet in het dossier is opgenomen, doet aan de rechtmatigheid van de staandehouding niet af. Op basis van het dossier is duidelijk dat de ambtenaren die ochtend de juiste persoon hebben staandegehouden. Dit heeft eiser ook niet betwist. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat de minister de info-set aan het dossier had moeten toevoegen. Van een schending van ‘equality of arms’ is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het detentiecentrum Rotterdam aan te merken als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie?
2. Eiser voert aan dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerde inrichting is zoals bedoeld in artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn, omdat geen sprake is van ‘fresh air’. Volgens eiser ligt het detentiecentrum Rotterdam naast Rotterdam The Hague Airport waardoor de lucht vervuild is met schadelijke stoffen. Dit is volgens eiser een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM en het maakt volgens eiser de inbewaringstelling onrechtmatig. Eiser heeft verschillende artikelen overgelegd die gaan over de luchtvervuiling rondom detentiecentrum Schiphol en betoogt dat ook bij detentiecentrum Rotterdam de lucht vervuild is vanwege de nabijgelegen luchthaven. Daarnaast voert eiser aan dat de aanwezigheid van de schadelijke stoffen leidt tot een schending van lichamelijke en psychische integriteit zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser komt het risico van dergelijke omstandigheden voor rekening van de minister, aangezien de minister heeft gekozen voor de bouw van het detentiecentrum op die locatie.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het detentiecentrum Rotterdam volgens vaste rechtspraak voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. [3] De rechtbank ziet in dat wat door eiser is aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De artikelen die eiser heeft overgelegd gaan over detentiecentrum Schiphol, en er is volgens de rechtbank geen enkel (begin van) bewijs dat de informatie in deze artikelen ook betrekking heeft op detentiecentrum Rotterdam. Bovendien is niet gebleken dat eiser persoonlijk last heeft van de gestelde luchtvervuiling. Ook is niet gebleken dat eiser van een schadelijke luchtvervuiling in het detentiecentrum Rotterdam melding heeft gedaan bij de directeur van het detentiecentrum, aangezien deze klacht ziet op het regime waarbinnen de vreemdelingenbewaring feitelijk wordt uitgevoerd. Van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 8 van het EVRM is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn conclusie dat de inbewaringstelling alleen al om deze reden onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser voert aan dat onvoldoende is (door)gevraagd naar zijn verwondingen die hij heeft overgehouden aan een vechtpartij. Volgens eiser is dat in strijd met arrest Mahdi. [4] Daarnaast had vanwege de vervuilde lucht rondom het detentiecentrum Rotterdam en daardoor het ontbreken van ‘fresh air’ een lichter middel opgelegd moeten worden.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in de maatregel voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat er omstandigheden zijn die ervoor zouden moeten zorgen dat de minister een lichter middel had moeten opleggen of dat eiser detentieongeschikt zou zijn. Uit de maatregel van bewaring volgt ook dat de minister de door eiser gestelde verwondingen heeft betrokken bij de vraag of de maatregel kon worden opgelegd. Voor zover eiser medische zorg nodig heeft voor zijn verwondingen, wijst de minister terecht op het feit dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is, die gelijkwaardig is aan de zorg in de vrije maatschappij. [5] Dat is gehandeld in strijd met het arrest Mahdi volgt de rechtbank daarom niet. Wat betreft de vervuilde lucht en het ontbreken van ‘fresh air’, verwijst de rechtbank naar dat wat onder rechtsoverweging 2.1. is overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Vergelijk ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5043.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103 of ABRvS 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002.
4.HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:11320.
5.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).