ECLI:NL:RBDHA:2025:25550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61493 en NL25.62074
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en verlenging van de maatregel van bewaring in het bestuursrecht en vreemdelingenrecht

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De eiser, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, had beroep ingesteld tegen de verlenging van de maatregel van bewaring die op 19 juni 2025 was opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat de verlenging van de maatregel met maximaal twaalf maanden gerechtvaardigd was. De rechtbank overwoog dat de eiser onvoldoende had meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en dat er een risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring nog steeds van toepassing waren en dat er geen zicht op uitzetting ontbrak. Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de belangenafweging in het nadeel van de eiser was uitgevallen, en dat de maatregel van bewaring niet onevenredig belastend was. De uitspraak werd openbaar gemaakt en er stond geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61493 en NL25.62074

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 15 december 2025 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld (NL25. 61493). Daarbij heeft eiser verzocht om schadevergoeding.
Daarnaast heeft de rechtbank op 18 december 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel (NL25.62074).
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft de onderzoeken op 24 december 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Beoordeling verlengingsbesluit (NL25.61493)
3. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog eens twaalf maanden worden verlengd, onder meer als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. Eiser heeft namelijk geen enkel origineel document kunnen overleggen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Ook heeft eiser geen medewerking verleend op grond waarvan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit kon worden bespoedigd. Verder is van belang dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn afkomst, waarbij de gestelde Tunesische nationaliteit niet is bevestigd door de Tunesische autoriteiten.
4. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 19 juni 2024 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn worden als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert aan dat de gronden uit de maatregel van bewaring van 19 juni 2025 enkel worden herhaald en dat de noodzaak voor het voorduren van de maatregel daardoor wordt gerelativeerd. Er kan geen bijzonder gewicht worden toegekend aan het risico op onttrekking. Eiser stelt verder dat zijn belang om in vrijheid gesteld te worden groter is dan het belang om de bewaring te laten voortduren. Verder bestaat er geen concreet zicht op uitzetting. Er is niets vernomen van de Algerijnse of Tunesische autoriteiten. Het is niet aannemelijk dat de lp [3] -aanvragen nog in behandeling zijn of dat een lp zal worden afgegeven. Verweerder had concreet moeten informeren bij de autoriteiten. Ook is de maatregel onevenredig belastend, gelet op de honger- en dorststaking en het verblijf in de OBS.
Belangenafweging en lichter middel
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de zware en lichte gronden nog steeds van toepassing zijn. Deze zware en lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Hieruit volgt dat er nog steeds een risico is dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. De stelling van eiser dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel is niet onderbouwd. De honger- en dorststaking en eisers verblijf in de OBS zijn onvoldoende om te concluderen dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Hierbij komt dat uit de plaatsing in de OBS juist blijkt dat zijn psychische toestand in de gaten wordt gehouden en dat medische hulp beschikbaar is, indien nodig. Gelet hierop is de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser uitgevallen en heeft verweerder niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel.
Zicht op uitzetting
7. Gebleken is dat de Tunesische autoriteiten hebben medegedeeld dat eiser niet de Tunesische nationaliteit heeft en dat de lp-aanvraag voor dat land is afgesloten. De uitzetting van eiser richt zich dan ook op eisers vertrek naar Algerije. Uit de rechtspraak volgt dat voor Algerije wordt aangenomen dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting bestaat. [4] Eiser heeft geen aanknopingspunten aangedragen waaruit moet worden geconcludeerd dat specifiek voor hem geen sprake is van zicht op uitzetting. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren mee te werken aan een presentatie of dat zij op voorhand weigeren een lp aan eiser te verstrekken. De stelling dat tot nu toe nog geen reactie is ontvangen van de Algerijnse autoriteiten is onvoldoende om daaruit te concluderen dat zij niet willen meewerken aan de afgifte van een lp. Tot slot wijst de rechtbank ook op eisers plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 16 oktober 2025 en 13 november 2025 volgt dat hij geen inspanningen heeft verricht of wil verrichten om de afgifte van een lp te bespoedigen.
Beoordeling voortduren van de maatregel van bewaring (NL5.62074)
8. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [5] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 9 oktober 2025.
9. De gronden van het beroep zijn gelijkluidend aan de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen het verlengingsbesluit. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat die gronden niet slagen.
Ambtshalve toets
10. Tot slot is ambtshalve niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Laissez-passer.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.