6.1.De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, namelijk geoordeeld dat de minister bij een zelfstandig overdrachtsbesluit verplicht is, wanneer de vreemdeling over wie dat overdrachtsbesluit gaat, daar een beroep op doet, te beoordelen of die vreemdeling door de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat in een situatie terechtkomt die in strijd is met het in artikel 4 van het EU Handvest neergelegde absolute verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De Afdeling heeft daarin geoordeeld dat het Unierecht ook in dat geval vereist dat de persoon over wie dat overdrachtsbesluit gaat een direct beroep op artikel 4 van het EU Handvest kan doen in het kader van het daartegen openstaande rechtsmiddel van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister moet daarom, wanneer de vreemdeling daar een beroep op doet, beoordelen of de vreemdeling in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terechtkomt in de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank heeft dit niet onderkend. (…)
8. Voor zover uit deze overweging zou moeten worden afgeleid dat de Afdeling oordeelt dat de 4 Handvest-beoordeling bij zelfstandige terugkeerbesluiten alleen hoeft plaats te vinden ‘als de vreemdeling over wie dat overdrachtsbesluit gaat, daar een beroep op doet” en dat “het Unierecht ook in dat geval vereist dat de persoon over wie dat overdrachtsbesluit gaat een direct beroep op artikel 4 van het EU Handvest kan doen in het kader van het daartegen openstaande rechtsmiddel van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.”, overweegt de rechtbank dat artikel 4 Handvest, naar het oordeel van de rechtbank, een verderstrekkende verplichting mee.
9. De rechtbank overweegt dat “de autoriteiten”, dus zowel verweerder als de rechter, ook als de vreemdeling geen ‘direct beroep’ doet op artikel 4 Handvest, verplicht zijn om zo nodig uit eigen beweging te beoordelen of de vreemdeling in een met artikel 4 Handvest strijdige situatie terechtkomt in de verantwoordelijke lidstaat. Deze verplichting geldt zowel in de Dublinprocedure als in de bewaringsprocedure. Het refoulementverbod is immers absoluut. Verweerder en de rechtbank zijn daarom te allen tijde gehouden om de naleving van het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Deze verplichting en de omvang hiervan is niet afhankelijk van de gedragingen van eiser en de rechtsmiddelen die hij heeft aangewend of heeft kunnen aanwenden en de beroepsgronden die in beide procedures zijn aangedragen.
10. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en heeft geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de maatregel. Dit ontslaat de bewaringsrechter dus niet van haar verplichting om ambtshalve na te gaan of de maatregel rechtmatig is opgelegd en dit ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek omvat de verplichting om na te gaan of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd. De maatregel is immers opgelegd om de uitvoering van het overdrachtsbesluit te effectueren en indien artikel 4 Handvest hieraan in de weg zou staan, zou deze omstandigheid tot de onmiddellijke opheffing van de maatregel leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat verweerder een zogenoemd ‘kaal’ of ‘zelfstandig’ overdrachtsbesluit dus niet relevant voor de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel.
11. De rechtbank ziet in de verklaringen van eiser in het bewaringsdossier, de overige processtukken en de openbaar toegankelijke landeninformatie over Oostenrijk geen indicaties dat eiser door of na de overdracht een 4 Handvest-risico loopt en ziet geen aanleiding om hiernaar nader onderzoek te doen. Het overdrachtsbesluit mag dus worden uitgevoerd en de maatregel kan in beginsel dan ook strekken tot de effectuering van het overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft voorts alle overige rechtmatigheidsvereisten van de maatregel gecontroleerd en stelt op grond van dit ambtshalve onderzoek vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig heeft voortgeduurd tot de sluiting van het onderzoek. De met een beroep gelijkgestelde kennisgeving is ongegrond.
De rechtbank heeft melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak en de termijn die hiervoor staat.
Deze uitspraak is aldus uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Het proces-verbaal van deze uitspraak is bekendgemaakt op: 31 december 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.