ECLI:NL:RBDHA:2025:25589

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
25.61736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring in het vreemdelingenrecht

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die op 29 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser. De maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 29 december 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij eiser zich via een Teams-verbinding heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. W.R.S. Ramhit, en de minister door mr. L. Augustinus.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 7 november 2025 rechtmatig was. De beoordeling in deze zaak richt zich dan ook op de rechtmatigheid van de maatregel sinds dat moment. Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank overweegt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat er zicht op uitzetting naar Algerije is. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61736

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. L. Augustinus).

Inleiding

1. De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich via een Teams-verbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 november 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 november 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat hij al zeer geruime tijd in bewaring verblijft zonder dat er zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. De minister gaat onvoldoende voortvarend te werk. Ook is eiser van mening dat een lichter middel zoals de meldplicht passend is. Ten aanzien van het vertrekgesprek van 29 oktober 2025 voert eiser aan dat dit niet met hem gevoerd is, en dat de inhoud van het verslag van iemand anders afkomstig is. Er wordt gesproken over Mali, maar eiser komt hier niet vandaan. Er is volgens eiser sprake van een persoonsverwisseling. Ook in de latere vertrekgesprekken is niet geverifieerd of de inhoud van het verslag van 29 oktober 2025 juist is. Niet is terug te lezen dat eiser nogmaals heeft aangegeven niet uit Mali te komen. Volgens eiser wordt er ook onvoldoende voortvarend gehandeld nu het eerste vertrekgesprek met eiser dan ook pas op 25 november 2025 heeft plaatsgevonden. Eiser is verder van mening dat er zeer onzorgvuldig wordt omgegaan met zijn dossier. Eiser voert tot slot aan dat zijn medische problematiek niet serieus wordt genomen, en dat hij geen medisch consult krijgt met een arts.
Oordeel van de rechtbank
5. Ten aanzien van het vertrekgesprek van 29 oktober 2025 merkt de rechtbank allereerst op dat dit vertrekgesprek zelf buiten de beoordelingsruimte valt van het huidige beroep. In het huidige beroep staat immers alleen ter beoordeling of de maatregel sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 7 november 2025 rechtmatig is. Dat de inhoud van het vertrekgesprek van 29 oktober 2025 pas na de zitting van 7 november 2025 met eiser is besproken, kan hieraan niet af doen. Voor zover een eventuele onzorgvuldigheid van dit vertrekgesprek zou doorwerken in de latere vertrekgesprekken van 25 november en 23 december 2025, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 25 november 2025 blijkt dat de inhoud van het vertrekgesprek van 29 oktober 2025 met eiser is besproken. Ondanks dat er niet is gesproken over Mali, heeft eiser aangegeven dat de inhoud van het gesprek klopt, maar dat hij zich het eerdere vertrekgesprek niet kan herinneren. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om uit te gaan van een persoonsverwisseling of van een onzorgvuldigheid in het dossier van eiser. De rechtbank stelt verder vast dat door de minister niet wordt uitgegaan van Mali als land van herkomst en dat er nog altijd wordt gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad of dat sprake zou zijn van een onzorgvuldigheid die de maatregel onrechtmatig maakt.
5.1.
Ten aanzien van de medische problematiek van eiser overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om hierover te klagen bij de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. Niet is gebleken dat de medische dienst in het detentiecentrum ontoereikend is.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat voor eiser een lp-traject is opgestart en niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven.
5.3.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure tweemaal schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, en er twee vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden.
5.4.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.53015.
3.Zie de Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.