Eiser, een etnisch Rus met de status 'non-citizen' uit Letland, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij was overgeleverd aan Letland en daar was veroordeeld voor drugsdelicten. Hij stelde dat hij in Letland geen eerlijk strafproces had gekregen, dat de detentieomstandigheden erbarmelijk waren en dat hij ernstig werd gediscrimineerd vanwege zijn status.
De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk geen eerlijk proces had gehad of dat hij een reëel risico liep op ernstige schade door detentieomstandigheden. Ook was niet gebleken dat de discriminatie hem zodanig beperkte dat hij maatschappelijk en sociaal niet kon functioneren.
De rechtbank oordeelde dat de minister zijn standpunten voldoende had gemotiveerd en dat eiser niet geslaagd was in het aannemelijk maken van zijn beweringen. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.