ECLI:NL:RBDHA:2025:25945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.41948
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:1 AwbArt. 10:11 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag EU-onderdaan

Eiser, een Roemeense EU-onderdaan zonder rechtmatig verblijf in Nederland, vroeg op 30 juli 2025 asiel aan. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser EU-onderdaan is. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het besluit niet was ondertekend, wat volgens hem een gebrek opleverde.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een handtekening geen gebrek vormt omdat het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar is. Dit volgt uit het feit dat de naam van de beslismedewerker en diens organisatie vermeld staan, en ondertekening niet verplicht is bij een regulier afdoeningsmandaat volgens artikel 10:1 Awb Pro. De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 november 2023 was niet van toepassing omdat die ging over een ander soort besluit en mandaat.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41948
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.41949, op 2 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser heeft de Roemeense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser heeft op 30 juli 2025 asiel gevraagd. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij een EU onderdaan is.
2. Eiser voert aan dat de minister het bestreden besluit niet ondertekend heeft en dat daardoor aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 november 2023.1
3. De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek kleeft aan het besluit. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023, waar eiser naar verwezen heeft, volgt dat een besluit kenbaar en toetsbaar moet zijn. De vreemdeling moet kunnen controleren of het besluit door een bevoegd persoon genomen is. In het geval van de uitspraak van 6 november 2023 was dit niet mogelijk omdat de handtekening onder het bestreden besluit ontbrak. In dat geval ging het om een ‘kaal’ terugkeerbesluit genomen door de AVIM. Dat is een ander besluitvormingskader dan het in deze procedure bestreden besluit. In dit geval is geen sprake van een ondertekeningsmandaat in de zin van artikel 10:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar van een – regulier- afdoeningsmandaat in de zin van artikel 10:1 van Pro de Awb. In die situatie is ondertekening niet verplicht.2 Daar komt bij dat het voor eiser wel mogelijk is om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het besluit staat immers de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Ook staat in het colofon van het besluit dat de beslismedewerker werkzaam is bij de [bedrijf] , [bedrijf] [plaats] . Een handtekening van deze beslismedewerker voegt hier niets aan toe. Ook zonder handtekening is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser. Er is dan ook geen sprake van een gebrek. Deze grond slaagt niet.
4. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
1. Uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4082.
2 Dat sprake is van een afdoeningsmandaat volgt uit het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022.
17 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: