ECLI:NL:RBDHA:2025:25971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL24.46764
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Iraanse nationaliteit wegens onvoldoende onderbouwing van vrees voor vervolging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 28 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een eiser van Iraanse nationaliteit behandeld. Eiser heeft op 26 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie op 30 oktober 2024 afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft de zaak op 16 juni 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die onder andere zijn deelname aan demonstraties in Nederland en de vrees voor vervolging door zijn broer, die werkzaam is bij de inlichtingendienst in Iran, aanvoert.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de asielmotieven van eiser, waaronder afvalligheid en deelname aan demonstraties, beoordeeld en komt tot de conclusie dat de bedreiging door de broer van eiser niet geloofwaardig is. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat zijn broer daadwerkelijk invloed heeft en dat hij op een zwarte lijst staat. De rechtbank stelt vast dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor vervolging. De rechtbank wijst erop dat de geloofwaardig geachte asielmotieven geen reden opleveren voor het verlenen van een asielvergunning, en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46764
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Hassan),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Modi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
1. Vreemdelingenwet 2000
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
Eiser is in 2020 naar Oekraïne gegaan, omdat hij in vrijheid wilde leven. Hij wil leven volgens zijn eigen ideeën en niet gedwongen worden een religie (islam) te volgen. Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, besloot eiser naar Nederland te vertrekken. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan demonstraties vanwege de moord op [naam] . Naar aanleiding van zijn deelname is hij bedreigd door zijn broer. De broer van eiser werkt voor de inlichtingendienst. Zijn broer heeft hem verteld dat hij op een lijst staat en bij terugkeer in Iran zal worden gearresteerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
Dat eiser zich heeft afgewend van de Islam;
De deelname van eiser aan demonstraties in Nederland, de bedreigingen van zijn broer hierdoor en dat zijn broer hem heeft verteld dat hij op een lijst staat.
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat asielmotieven 1 en 2 geloofwaardig zijn. Dat eiser heeft deelgenomen aan demonstraties in Nederland is ook geloofwaardig. Dat de broer van eiser hem hierdoor heeft bedreigd en hem heeft verteld dat hij op een lijst staat acht de minister niet geloofwaardig.
6. De bedreiging door de broer van eiser en dat hij eiser heeft verteld dat hij op een zwarte lijst staat wordt niet geloofwaardig bevonden, omdat eiser dit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend geheel, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Geloofwaardigheid van bedreiging door broer en dat eiser op een zwarte lijst zou staan
7. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over de functie van zijn broer bij de inlichtingendienst. Eiser heeft slechts verklaard dat zijn broer een lange carrière en een hoge functie heeft bij de inlichtingendienst, waardoor zijn broer kan zeggen dat eiser nooit meer kan terugkeren naar Iran omdat hij anders wordt gearresteerd.2 Nergens uit zijn verklaringen blijkt echter dat zijn broer daadwerkelijk die macht heeft. Daarbij komt dat eiser nog verklaard heeft dat hij er nooit achter is gekomen wat voor functie zijn broer heeft.3 Ten aanzien van de bedreiging die zijn broer heeft geuit, heeft eiser summier verklaard. Eiser heeft slechts verklaard tweemaal telefonisch te zijn bedreigd. Eiser heeft niet gevraagd hoe zijn broer het wist dat hij op de zwarte lijst stond en niet meer terug kon keren naar Iran. Ook al heeft eiser in zienswijze uitgelegd dat dat hij hier niet naar heeft gevraagd omdat het respect voor oudere broers diep geworteld is in de Iraanse samenleving, vormt dit volgens de minister de kern van zijn vrees om naar Iran terug te gaan. Daarom mag van eiser verwacht worden dat hij hiernaar vraagt. Verder geeft eiser geen inzicht in het risico over het plaatsen van content op Instagram stories over de demonstraties. Niet valt in te zien dat eiser werkelijk niet verwachtte dat hij geen risico zou nemen met het plaatsen van de content op Instagram en dat zijn broer de informatie niet zou delen. Daarnaast valt niet in te zien dat de echtgenoot van eiser de opnamen aan zijn broer heeft laten zien toen deze daarom vroeg. De minister stelt zich verder op het standpunt dat er, buiten dat zijn broer dit hem zou hebben verteld, geen enkele andere aanwijzing is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn deelname aan de demonstraties in Nederland. Tijdens de demonstraties in Nederland ter ondersteuning van de protesten voor [naam] zijn er weliswaar meldingen geweest van de aanwezigheid van informanten van de Iraanse autoriteiten, maar dat er informanten zouden zijn die eiser gezien zouden kunnen hebben of dat zijn Instagram-pagina bekeken zou kunnen zijn, betreft enkel een vermoeden.
2 Nader gehoor, pagina 16.
3 Nader gehoor, pagina 8.
Vrees vanwege afvalligheid
8. De minister stelt zich verder op het standpunt dat de geloofwaardig geachte asielmotieven ten aanzien van afvalligheid geen reden opleveren om eiser een asielvergunning te verlenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor vervolging wegens zijn afvalligheid. Uit informatiebericht (IB) 2023/35 blijkt dat een vreemdeling bij terugkeer naar Iran op het vliegveld bevraagd kan worden door de Iraanse autoriteiten naar zijn religie. Ook dient eiser een formulier in te vullen op het vliegveld. Hierin mag van eiser terughoudendheid worden verlangd, omdat eiser zijn afvalligheid niet actief uitdraagt en zijn afvalligheid geen deel uitmaakt van zijn religieuze identiteit. Ook is niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten aan eiser afvalligheid zullen toedichten. Eiser is sinds 2005 afvallig en heeft op een enkele keer in 2012 na geen problemen gehad met de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht over Iran van september 2023 blijkt dat personen die zich hebben afgewend van de islam en als afvallig worden gezien zelden problemen ervaren in Iran. Ook zijn er geen aanwijzingen dat afvalligen sinds de onrust in 2022 omtrent [naam] anders worden bejegend door de Iraanse autoriteiten.

Vrees vanwege deelname demonstraties

8.1.
Wat betreft zijn deelname aan de demonstraties in Nederland zijn de problemen die eiser daardoor stelt te hebben met zijn broer niet geloofwaardig bevonden door de minister. De deelname van eiser aan de demonstraties zelf en zijn hieruit blijkende politieke overtuiging is wel geloofwaardig bevonden. De minister ziet hierin echter geen reden om een asielvergunning aan eiser te verlenen. De minister ziet geen aanwijzing dat eiser door de demonstraties in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het gaat om demonstraties van twee jaar geleden en er zijn online geen sporen meer van, omdat de door eiser geposte stories daarover op Instagram na 24 uur verdwijnen. Het is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer nog problemen zal ondervinden vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft zijn politieke mening enkel geuit in Nederland tijdens een aantal demonstraties in september en oktober 2022, en sindsdien niet meer. Hieruit blijkt dan ook niet een dusdanig sterke politieke overtuiging dat het aannemelijk is dat hij deze bij terugkeer zal uiten. Het feit dat er sindsdien geen demonstraties meer hebben plaatsgevonden en de stelling dat de veiligheid van het gezin in het gedrang kwam, maakt dit niet anders. Eiser had zijn politieke overtuiging anders kunnen uiten en de veiligheid van zijn gezin heeft hem bij de eerdere demonstraties ook niet tegengehouden.
8.2.
Ter zitting is besproken dat de asielmotieven van eiser zien op (i) afvalligheid en (ii) op deelname aan de demonstraties, waardoor de broer van eiser hem heeft bedreigd volgens eiser. Uit die deelname aan demonstraties blijkt een politieke overtuiging. Echter, het politieke regime in Iran kan niet los worden gezien van het heersende religieuze klimaat in Iran. Dat is tussen partijen niet in geschil, zodat er in de beide asielmotieven en de beoordeling daarvan door de minister enige overlap zit en hetgeen ten aanzien van het ene asielmotief wordt overwogen mogelijk ook op het andere asielmotief van toepassing is.
De beroepsgronden van eiser
Verkeerde werkinstructie toegepast
9. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas toepassing heeft gegeven aan de verkeerde werkinstructie (WI). Dit had WI 2014/10 moeten zijn en niet WI 2024/6, omdat de asielaanvraag dateert van 22 juni 2022. De minister kan zich niet beroepen op de nieuwe beleidsregels, op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel.
10. De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt.4 Dit geldt ook voor beleidsregels; alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een dergelijke bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid van bedreiging door broer in verband met deelname demonstraties en diens mededeling dat eiser op een zwarte lijst zou staan
11. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om meer te verklaren over de precieze functie van zijn broer. In Iran is het gebruikelijk dat medewerkers van de inlichtingendiensten strikt geheim houden wat ze doen, zelfs voor naaste familieleden. Het is voor eiser daarom buitengewoon moeilijk om specifieke informatie te verkrijgen over de werkzaamheden van zijn broer.
Verder heeft eiser in de correcties en aanvullingen uitgelegd dat hij ervan uitging dat familie boven alles stond, maar dat – nu achteraf – blijkt dat zijn broer die waarde niet lijkt te delen. Eiser had vanwege deze familiewaarde niet verwacht dat hij risico's zou nemen door de stories op Instagram te plaatsen waar zijn broer die mogelijk zou zien. Hij had evenmin verwacht dat zijn broer deze informatie met anderen zou delen. Ook wordt ten onrechte tegengeworpen dat het niet begrijpelijk zou zijn dat de vrouw van eiser filmpjes van de demonstraties aan zijn broer heeft laten zien. De vrouw van eiser is immers ook de nicht van de broer van eiser. In haar hoedanigheid van familielid heeft ze de filmpjes laten zien, waarbij ook zij er vanuit ging dat de broer eiser niet in gevaar zou brengen.
Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte van hem verwacht dat hij vragen zou stellen aan zijn broer over hoe hij weet dat eiser op een zwarte lijst staat. Eiser weet dat zijn broer degene is geweest die hem heeft verraden aan de autoriteiten, dus hij hoefde daar geen vragen over te stellen, en hij zou daarop bovendien toch geen antwoorden krijgen, Het gaat hier immers om zijn broer, een lid van de inlichtingendienst in Iran.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat niet aannemelijk is dat zijn broer hem weliswaar volgt op Instagram en dus kennis kon nemen van de geplaatste stories, maar hij desalniettemin niet verwachtte dat deze het verder zou delen. Ook de verklaring dat de echtgenote van eiser de opnamen van de demonstratie aan de broer heeft laten zien is, heeft de minister niet aannemelijk hoeven vinden. Ter onderbouwing hiervan heeft de minister kunnen verwijzen naar het nader gehoor, waarin eiser heeft verklaard dat zijn broer hem samen met zijn vader in de gaten hield en dat ze altijd uitzochten wat hij doet in zijn leven5, en naar de verklaring van eiser dat zijn band met zijn broer niet goed is sinds hij afstand heeft genomen van de Islam.6 De rechtbank kan de minister volgen dat gezien deze slechte relatie niet valt in te zien dat eiser niet verwachtte geen risico te nemen met het plaatsen van de stories op Instagram en dat zijn broer de informatie niet zou delen. De rechtbank kan de minister ook volgens dat gezien deze slechte relatie het niet begrijpelijk is dat de echtgenote van eiser de filmpjes aan de broer heeft laten zien. Het feit dat het zijn eigen broer is en dat hij het daarom niet had verwacht, en het feit dat de echtgenote ook de nicht van de broer is en dus familie is, heeft de minister daarvoor niet afdoende mogen vinden in het licht van voornoemde verklaringen over de slechte relatie met zijn broer.
4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:433.
5 Nader gehoor, pagina 30.
6 Nader gehoor, pagina 29.
12.1.
De minister heeft ook aan eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaring over de functie van zijn broer bij de Inlichtingendienst en over de bedreiging door de broer naar aanleiding van deelname demonstraties summier is. Eiser heeft slechts verklaard dat zijn broer een hoge functie en een lange staat van dienst heeft, zodat de broer van eiser in de positie is om te zeggen dat eiser nooit meer terug kan naar Iran. Eiser heeft niet verduidelijkt hoe hij dit weet en waaruit blijkt dat zijn broer de macht heeft om te zeggen dat eiser nooit meer terug kan. Daarbij komt dat de minister zich, naar het oordeel van de rechtbank, ook op standpunt heeft kunnen stellen dat eiser summier heeft verklaard over de inhoud van de twee telefoongesprekken waarin zijn broer hem bedreigd heeft. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat, nu dit kern van het relaas over vrees waarom eiser niet terug kan naar Iran, van eiser verwacht had mogen worden dat hij daarover meer zou kunnen verklaren danwel zijn broer daarover meer zou hebben bevraagd in de telefoongesprekken. Dit te meer nu eiser gezien de familierelatie met zijn broer een en ander niet van zijn broer had verwacht. Het feit dat respect voor oudere familieleden diep verankerd zit in de Iraanse cultuur, maakt het voorgaande niet anders. Ook de stelling van eiser in beroep dat hij in de beide telefoongesprekken niet door hoefde te vragen omdat duidelijk was dat zijn broer hem heeft verraden, maakt niet dat van eiser niet verwacht mag worden dat hij hierover doorvraagt. Deze stelling staat – zoals hiervoor reeds benoemd – haaks op de stelling van eiser dat hij meende dat familie gaat boven alles gaat en dat zijn broer hem niet zou verraden.
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gezien het voorgaande, zich op het standpunt kunnen stellen dat de bedreiging van zijn broer vanwege de deelname van eiser aan de demonstraties niet geloofwaardig is.
Vrees bij terugkeer door deelname aan demonstraties
13. Eiser voert aan dat, nu de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser zich heeft afgewend van de islam en dat hij heeft deelgenomen aan de demonstraties, vrees bij terugkeer had moeten aannemen. Eiser stelt daartoe allereerst dat hij – anders dan de minister stelt – vanwege de deelname aan de demonstraties in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Eiser stelt daartoe dat hij duidelijk heeft verklaard waarom hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, en dat dit niet enkel op een vermoeden berust. Eiser heeft immers een story gedeeld op Instagram, en uit de brief van Vluchtelingenwerk – Helpdesklandeninformatie van 13 maart 2023 blijkt dat er informanten aanwezig waren tijdens de demonstraties. Dit is duidelijk genoeg. Een burger zoals eiser heeft geen toegang tot de op basis daarvan opgestelde lijsten. Niet duidelijk is wat op dit punt nog meer van eiser verwacht kan worden.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op standpunt kunnen stellen dat er – los van de door eiser gestelde bedreiging broer – geen aanwijzingen zijn dat hij in verband met zijn deelname aan de demonstraties in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Hoewel uit de overgelegde informatie7 blijkt dat sprake is van controle tijdens de demonstraties en niet kan worden uitgesloten dat informanten opnames hebben gemaakt van de deelname van eiser aan de demonstraties en deze beelden vervolgens hebben gedeeld met de autoriteiten in Iran, betreft dit enkel vermoedens. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deelname aan de demonstratie en het delen van stories op Instagram in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat.
Vrees bij terugkeer door afvalligheid en deelname aan demonstraties
15. Eiser stelt daartoe verder dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat in het Algemeen Ambtsbericht over Iran van 2023, op pagina 85 staat dat afvalligen zelden worden lastig gevallen door de overheid. Op diezelfde pagina staat namelijk ook dat het desondanks niet kan worden uitgesloten dat afvalligen een risico lopen op strafrechtelijke vervolging zonder dat zij hun afvalligheid uitdragen. Dat is afhankelijk van de specifieke situatie. Niet gelovigen kunnen problemen ondervinden met het krijgen van een baan of een vergunning om een onderneming te starten of het volgen van onderwijs. Bovendien is het in sommige gevallen strafbaar om niet deel te nemen aan religieuze activiteiten en zich niet aan voorschriften te houden. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen die tijdens de ramadan in het openbaar eten of drinken. Mensen die niet deelnemen aan religieuze activiteiten en voorschriften kunnen ook te maken krijgen met allerlei beperkingen in het openbaar leven. Het is volgens eiser daarom onbegrijpelijk dat de minister doet voorkomen alsof eiser geen gegronde vrees hoeft te hebben bij terugkeer. Bovendien heeft eiser 80 zweepslagen gekregen toen hij 28 jaar oud was en met vrienden in het park alcohol dronk.
Verder mag van eiser geen terughoudendheid verwacht worden. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 19 september 2024.8 Gezien zijn verklaringen op pagina 20 van het nader gehoor en pagina 3 en 4 van de correcties en aanvullingen, mag van eiser juist verwacht worden dat hij bij terugkeer uiting geeft aan zijn afvalligheid. Eiser heeft hierover duidelijk verklaard, daar heeft de minister ten onrechte geen rekening mee gehouden. Dat eiser volgens de minister in het verleden zijn afvalligheid niet of nauwelijks heeft geuit, maakt dit niet anders. Eiser heeft jarenlang niet in Iran gewoond en in vrijheid geleefd. Hij kan niet terug naar hoe hij toen leefde. De door de minister verwachtte terughoudendheid is in strijd met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 20129, de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 202410, rechtsoverweging 10, 11.2 en 23.2. Ook verwijst eiser in dit kader naar de notitie van Stichting Gave getiteld "IB 2023/35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedichte) afvalligen" en de uitspraak van de UK Upper tribunal van 20 februari 2020.11
15.1.
Eiser voert tot slot aan dat hij een politieke overtuiging heeft die niet wordt getolereerd in Iran gezien de demonstraties waar hij aan heeft deelgenomen. Hij loopt ook daarom een reëel risico op vervolging. Hij verwijst naar het arrest van het HvJEU van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688 (arrest S en A), waaruit volgt dat ook wanneer politieke overtuiging voor het eerst worden geuit in het land waar asiel wordt aangevraagd, zij in aanmerking kunnen worden gnomen bij de beoordeling van het vervolgingsgevaar voor de betrokkene bij terugkeer. Eiser betoogt dat dit van toepassing is op hem. De Iraanse autoriteiten zijn op de hoogte van zijn politieke activiteiten.
7 Brief van Vluchtelingenwerk Nederland, ‘Monitoring en protesten in het buitenland sinds de dood van [naam] ’ van 13 maart 2023.
9 ECLI:EU:C:2012:518.
11 [2020] UKUT 00046 (IAC).
Juridisch kader afvalligheid
16. Uit de uitspraak van de Afdeling die door eiser wordt genoemd, volgt dat de minister de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid moet verbinden aan wat overigens bekend is over het land van herkomst. De minister moet ook onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als eiser daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet de minister ervan uitgaan dat eiser na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven als hij in Nederland heeft gedaan. De minister mag van eiser niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst.12
Juridisch kader politieke overtuiging
17. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 202413 dat bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Bij deze beoordeling van de gegrondheid van de vrees is de sterkte van die politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging wordt geuit of eventueel door hem zal worden geuit een relevant element, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij moeten de specifieke persoonlijke situatie van een vreemdeling en de meer algemene context van het land van herkomst worden betrokken, zoals het Hof heeft overwogen in het arrest S en A, onder punten 45 tot en met 49. Het is echter niet vereist dat de overtuiging zo diepgeworteld is dat een vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten en daardoor slachtoffer zou kunnen worden van daden van vervolging.
Beoordeling afvalligheid
18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging, danwel een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn afvalligheid.
18.1.
Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt, is van belang welke uiting eiser bij terugkeer naar Iran aan zijn afvalligheid en atheïsme zal geven en of van hem hierin terughoudendheid mag worden verwacht.
18.2.
De minister heeft zich daarover naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalligheid een onderdeel is van zijn godsdienstige identiteit en dat hij zijn afvalligheid actief uitdraagt. De stelling van eiser dat hij open zal zijn over zijn afvalligheid is daarvoor niet afdoende. Eiser is al in 2005 gestopt met het praktiseren van de Islam en was daarover toentertijd reeds open, en heeft daardoor een enkele maal een probleem ervaren in Iran (zweepslagen nadat hij alcohol in een park had gedronken in 2012) maar sindsdien niet meer. Het open zijn over de afwending van de Islam is ook niet hetzelfde als het op actieve wijze uitdragen ervan. Eiser is in Nederland slechts open over zijn afvalligheid geweest wanneer hem daarnaar gevraagd werd. In de correcties en aanvullingen heeft eiser weliswaar gesteld dat hij in discussie zal gaan over het geloof, maar dat heeft de minister niet aannemelijk hoeven vinden nu eiser tijdens het nader gehoor juist heeft aangegeven daarover juist niet in discussie te gaan.14 De minister heeft daarom kunnen stellen dat, nu afvalligheid geen onderdeel is van de religieuze identiteit van eiser en door hem niet actief wordt uitgedragen, van eiser enige terughoudendheid verlangd worden bij het beantwoorden van vragen en het invullen van het formulier op vliegveld. Dat is geen ontoelaatbare aantasting van het recht op godsdienstvrijheid. Daarbij komt dat openbare informatie blijkt dat niet elke terugkeerder wordt ondervraagd op het vliegveld bij terugkeer in Iran.15 Er bestaat weliswaar een risico dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, maar de minister stelt zich terecht op het standpunt dat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk staat aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. De minister betrekt hierbij terecht dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Iran uit 2023 niet volgt dat terugkerende, afgewezen asielzoekers die worden ondervraagd systematisch problemen ondervinden bij terugkeer naar Iran. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser voor zijn (legale) vertrek niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij sindsdien in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Verder acht de rechtbank van belang dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023 blijkt dat iemand die de islam niet praktiseert, daar doorgaans geen problemen mee zal krijgen.16 De verwijzing van eiser naar dezelfde pagina van het Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023 maakt niet dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Hoewel niet is uitgesloten dat afvalligen een risico op strafrechtelijke vervolging lopen zonder dat zij hun afvalligheid uitdragen en dat niet-gelovigen problemen kunnen ondervinden, neemt niet weg dat iemand die de islam niet praktiseert, daar doorgaans geen problemen mee krijgt. Feit dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023volgt dat het in sommige gevallen strafbaar is om niet deel te nemen aan religieuze activiteiten en zich niet aan voorschriften te houden en dat dit bijvoorbeeld geldt voor mensen die tijdens de ramadan in het openbaar eten of drinken, maakt dit niet anders. Hieruit volgt niet dat voor eiser (nu afvalligheid geen onderdeel is van zijn religieuze identiteit) sprake is van gegronde vrees voor vervolging danwel een reëel risico op ernstige schade. Ook zijn er geen aanwijzingen dat afvalligen sinds de onrust in 2022 anders worden bejegend door de Iraanse autoriteiten. Zie pagina’s 83, 84, 85 van het Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023.
12 ECLI:NL:RVS:2022:94, rechtsoverweging 23-23.2.
Beoordeling politieke overtuiging
19. De rechtbank overweegt ten aanzien van de politieke overtuiging van eiser als volgt. Uit voornoemde jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden betrokken welke activiteiten eiser bij terugkeer zou willen verrichten en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. De minister heeft daarom kunnen meewegen dat eiser zich nauwelijks politiek heeft geuit. De minister heeft verder de stelling van eiser dat hij zich bij terugkeer wel politiek wil uiten, niet aannemelijk hoeven vinden. De minister heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser, naast de demonstraties in 2022, niet politiek actief is geweest en dat dit niet getuigt van een dusdanig sterke politieke overtuiging dat aannemelijk kan worden geacht dat eiser bij terugkeer zijn politieke overtuiging zal uiten. De rechtbank is gezien dit alles van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging.
14 Pagina 21 van het nader gehoor.
15 Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023, pagina 115.
16 Algemeen Ambtsbericht over Iran 2023, pagina 85.
Vrees voor terugkeer wegens negatief reisadvies
20. Eiser wijst verder op het negatieve reisadvies ten aanzien van Iran. Dit geldt niet alleen voor Nederlanders, en is volgens eiser dus ook op hem van toepassing. Dit duidt op een situatie waarin sprake is van gegronde vrees.
21. De rechtbank is van oordeel dat het reisadvies niet van toepassing is op de situatie van eiser, omdat hij de Iraanse nationaliteit heeft. De stelling van eiser ter zitting dat hieruit volgt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, is voor het eerst ter zitting aangevoerd en onvoldoende concreet gemaakt. Uit de enkele verwijzing naar het reisadvies volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
zaaknummer: NL24.46764
10

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
zaaknummer: NL24.46764
11
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.