ECLI:NL:RBDHA:2025:26088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL24.44375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf van Guinese eiseres met betrekking tot familie- en gezinsleven

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt het beroep van eiseres, een Guinese vrouw, behandeld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1]'. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit van de minister van Asiel en Migratie onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, met name omdat verweerder niet heeft voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024, waarin werd opgedragen om bijkomende elementen van afhankelijkheid mee te wegen. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente, en dat de emotionele en praktische afhankelijkheid tussen hen aanzienlijk is. De rechtbank draagt verweerder op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en geeft een termijn van zes weken voor deze herstelpoging. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44375
V-nummer: [V-nummer]

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als
familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing daarvan. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1954 en heeft de Guinese nationaliteit. Op
12 oktober 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv, voor het doel
‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’. [persoon 1] is eiseres’ dochter en referente.
2.2.
Met het primaire besluit van 14 april 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.3.
Met een besluit van 30 november 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.4.
Op 27 september 2022 heeft verweerder laten weten het besluit van
30 november 2021 in te trekken. Op 28 maart 2023 heeft verweerder een herziene beslissing op het bezwaar van eiseres genomen en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
2.5.
Op 15 mei 2024 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. [1] De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
2.6.
Met een besluit van 15 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Dat is het bestreden besluit in deze zaak. Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en referente in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres en referente wonen al lang niet meer samen. Er is geen sprake van financiële of praktische afhankelijkheid en eiseres heeft nog banden met het land van herkomst.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, referente en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd?
3.1.
De rechtbank beoordeelt allereerst of verweerder het bestreden besluit, na de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.
3.2.
Eiseres voert aan dat verweerder zich in het bestreden besluit niet heeft gehouden aan de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024. In die uitspraak heeft de rechtbank verweerder opgedragen om in de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente mee te wegen dat referente het enige en buitenechtelijke kind is van eiseres. Volgens eiseres gaat verweerder op geen enkele wijze in op deze omstandigheden en heeft verweerder geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
De rechtbank volgt eiseres in deze beroepsgrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit in het feitenrelaas weliswaar genoemd dat referente uit een buitenechtelijke relatie van eiseres is geboren, maar de rechtbank ziet niet dat verweerder dit kenbaar heeft meegewogen in de beoordeling, ondanks dat de rechtbank verweerder uitdrukkelijk heeft opgedragen dit te doen (rechtsoverweging 6.3 van de uitspraak van 15 mei 2024). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit met betrekking tot dit punt nog steeds onvoldoende is gemotiveerd.
3.4.
Eiseres voert verder aan dat verweerder in het bestreden besluit opeens heeft betwist dat de stiefvader van referente (de echtgenoot van eiseres) is overleden. In de eerdere beschikkingen van 30 november 2021 en 28 maart 2023 is verweerder er wel van uit gegaan dat de stiefvader is overleden en heeft verweerder verwezen naar de overgelegde foto en de kopie van de overlijdensakte. Eiseres mocht er daarom vanuit gaan dat het overlijden van de stiefvader van referente geen geschilpunt was voor verweerder en vindt dat dit haar nu niet kan worden tegengeworpen.
3.5.
Verweerder heeft gesteld dat niet kan uit worden uitgegaan van de eerdere beschikkingen van 30 november 2021 en 28 maart 2023. Deze zijn geheel ingetrokken en vernietigd en hebben daarom hun rechtskracht verloren.
3.6.
De rechtbank overweegt als volgt. De beschikking van 30 november 2021 is door verweerder ingetrokken. De beschikking van 28 maart 2023 is niet door verweerder ingetrokken, maar door de rechtbank vernietigd in de uitspraak van 15 mei 2024. In de beschikking van 28 maart 2023 ging verweerder er nog van uit of betwistte in ieder geval nog niet dat de stiefvader van referente is overleden. De rechtbank ziet ook dat het overlijden van de stiefvader in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024 geen geschilpunt is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres ervan uit mocht gaan dat het overlijden van de stiefvader geen geschilpunt meer was voor verweerder. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres met de overgelegde foto en met de kopie van de overlijdensakte voldoende heeft aangetoond dat de stiefvader van referente is overleden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat de stiefvader van eiseres is overleden.
3.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit de beslissing niet kan dragen. Omdat deze procedure al lang voortduurt, ziet de rechtbank aanleiding om zelf vast te stellen of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente.
Is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie?
4.1.
De rechtbank zal hierna toetsen of sprake is van meer dan een gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan alleen in dat geval worden gesproken van beschermenswaardig familieleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. [2] De rechtbank zal de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, in tegenstelling tot de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling), vol toetsen. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat daarover is overwogen in de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 22 april 2025 [3] en 23 juli 2025 [4] .
4.2.
Bij de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, moet worden gekeken naar of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. [5] Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van beschermenswaardig familieleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden [6] , de mate van emotionele afhankelijkheid [7] , de mate van financiële afhankelijkheid [8] , de medische omstandigheden [9] en de banden met het land van herkomst [10] .
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat sprake is van een sterke wederzijdse emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referente, gelet op wat zij samen hebben meegemaakt. De rechtbank zal deze achtergrond kort samengevat weergeven, zoals volgt uit verklaringen van referente en verder uit het dossier. Referente is geboren uit een buitenechtelijke relatie van eiseres. In het gezin van eiseres en haar echtgenoot werd referente daardoor niet geaccepteerd en werd zij fysiek en emotioneel mishandeld. Referente is op 5 november 2009 traditioneel gehuwd. Referente werd ook in het gezin van haar echtgenoot niet geaccepteerd en daar fysiek en emotioneel mishandeld. Eiseres heeft referente toen geholpen. Eiseres en referente hebben van december 2009 tot juni 2014 bij de zus van eiseres gewoond, nu eiseres na de hulp aan referente ook niet meer geaccepteerd werd door het gezin van haar echtgenoot. Referente is in deze periode zwanger geraakt van een andere man dan haar echtgenoot. Op [geboortedatum] 2011 is haar zoon [persoon 2] geboren. [persoon 2] werd ook niet geaccepteerd door de gemeenschap. Na een incident met [persoon 2] is referente in 2014 gevlucht uit Guinee en naar Nederland gekomen. Eiseres en [persoon 2] bleven achter. Eiseres is in Guinee weer samen gaan wonen met haar echtgenoot. Hij had meerdere andere vrouwen. Referente heeft verklaard dat de echtgenoot van eiseres in augustus 2020 door bandieten is vermoord en haar moeder toen ook is mishandeld. Na de dood van haar echtgenoot is eiseres naar Senegal gegaan. Via contacten van referente is daar onderdak voor haar geregeld. Referente heeft verklaard dat de dood van haar stiefvader de aanleiding was om deze mvv-aanvraag te doen.
4.4.
Uit de ingrijpende omstandigheden die eiseres en referente samen hebben meegemaakt volgt naar het oordeel van de rechtbank een sterke wederzijdse emotionele afhankelijkheid. Referente en eiseres hebben in moeilijke tijden een belangrijke rol gespeeld in elkaars leven. Ondanks dat referente is verstoten door het gezin van eiseres en haar echtgenoot, heeft eiseres referente altijd geholpen en ondersteund. Nadat de echtgenoot van eiseres door bandieten is vermoord, heeft referente eiseres ook steeds geholpen en ondersteund, dan wel op afstand.
4.5.
Op de zitting heeft referente verder toegelicht dat zij eiseres op afstand ondersteunt, door vanuit Nederland bijvoorbeeld te regelen dat eiseres naar een arts wordt gebracht of met een taxi kan gaan. Volgens referente is zij de enige die dat (op afstand) kan doen, omdat eiseres in Senegal geen vrienden of kennissen heeft die haar kunnen ondersteunen en eiseres met niemand kan communiceren in Senegal aangezien zij geen Frans spreekt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook sprake is van een praktische afhankelijkheid –weliswaar op afstand – tussen referente en eiseres. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat eiseres inmiddels banden heeft opgebouwd in Senegal.
4.6.
Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen sociale contacten en kennissen heeft in Guinee die haar kunnen helpen. Daarbij is relevant dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de stiefvader van referente is overleden, zoals in overweging 3.5 is overwogen.
4.7.
De rechtbank weegt verder mee dat eiseres en referente lange tijd met elkaar hebben samengewoond in Guinee, ook op latere leeftijd van referente van december 2009 tot
juni 2014. Voor zover verweerder heeft gesteld dat zij inmiddels al langdurig niet meer in gezinsband samenwonen, overweegt de rechtbank dat de samenwoning niet vrijwillig is beëindigd. Deze is namelijk beëindigd doordat referente heeft moeten vluchten voor haar echtgenoot. De rechtbank neemt ook mee dat eiseres, na het vertrek van referente uit Guinee, nog een tijd voor [persoon 2] heeft gezorgd. Voor zover verweerder heeft gesteld dat het gangbaar is dat een oma voor haar kind zorgt, volgt de rechtbank verweerder niet. Gelet op de omstandigheden en de gezinsband tussen eiseres en referente vindt de rechtbank dat ook dat duidt op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
Belangenafweging
5.1.
Verweerder heeft, ondanks zijn vaststelling dat geen sprake is van familieleven, toch een belangenafweging gemaakt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van
27 maart 2024, had verweerder dat bij die vaststelling niet hoeven doen. De gedane belangenafweging is echter gekleurd door de vaststelling dat geen sprake is van familieleven. Verweerder zal daarom opnieuw een belangenafweging moeten maken.
5.2.
De rechtbank draagt verweerder op om in de belangenafweging mee te nemen dat referente heeft aangegeven dat eiseres referente bij een verblijf in Nederland kan ontlasten, door te helpen bij de zorg voor haar drie kinderen, wat minder kosten meebrengt voor de Staat. Referente heeft ook aangegeven dat eiseres bij haar kan wonen en dat zij praktisch en financieel voor eiseres zal gaan zorgen.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Wat verweerder moet doen om het gebrek te herstellen, staat in overweging 5.1.. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.2.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres en referente in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer NL23.12512.
2.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, nr. 47486/06.
5.WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
7.EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
8.EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
9.EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
10.EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.