ECLI:NL:RBDHA:2025:26203
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
Verweerder legde op 8 juli 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser. Op 17 december 2025 stelde verweerder de rechtbank in kennis van de voortzetting van deze maatregel, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser. De maatregel werd op 18 december 2025 opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de periode van 3 oktober 2025 tot 18 december 2025, omdat de rechtmatigheid van de bewaring daarvoor reeds was vastgesteld.
Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting was vanwege het ontbreken van een laissez-passer van de Marokkaanse autoriteiten en onvoldoende identificatiedocumenten. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende medewerking had verleend en dat de Marokkaanse autoriteiten niet hadden aangegeven geen laissez-passer te zullen verstrekken. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken.
Eiser stelde ook dat een lichter middel had moeten worden toegepast, maar de rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin dit niet noodzakelijk werd geacht. De rechtbank overwoog dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het belang van voortzetting zwaarder weegt dan het belang van invrijheidstelling, en dat geen bijzondere omstandigheden waren die dit anders maakten.
Tot slot voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen onrechtmatigheid werd vastgesteld en geen belemmering van het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel werd aangetroffen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.