ECLI:NL:RBDHA:2025:26203
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke procedure met betrekking tot zicht op uitzetting en voortvarend handelen
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen een eiser, met een V-nummer, en de minister van Asiel en Migratie als verweerder. De zaak betreft de maatregel van bewaring die op 8 juli 2025 aan de eiser is opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 18 december 2025 is opgeheven, en dat de beoordeling zich nu beperkt tot de vraag of de eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode waarin hij in bewaring heeft gezeten.
De rechtbank heeft overwogen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 3 oktober 2025, en dat de periode van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring de tijd is tussen 3 oktober 2025 en 18 december 2025. De eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting is, omdat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer hebben afgegeven en er geen identificerende documenten zijn. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de eiser onvoldoende heeft bijgedragen aan zijn eigen uitzetting en dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die zouden rechtvaardigen dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank heeft de beroepsgrond van de eiser afgewezen en geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep van de eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier, en is openbaar gemaakt op 9 januari 2026.