Eiser, een Poolse EU-burger die sinds 2019 in Nederland verblijft, werd door de minister van Asiel en Migratie vastgesteld geen rechtmatig verblijf te hebben omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De minister concludeerde dat eiser niet als werknemer actief was, geen reële kans op werk had, geen vaste woon- en verblijfplaats bezat en niet over voldoende middelen van bestaan beschikte.
Eiser voerde in beroep aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn inspanningen om werk te vinden en dat hij onvrijwillig werkloos zou zijn, wat volgens hem recht gaf op behoud van verblijfsrecht. Ook stelde hij dat de belangenafweging onterecht in zijn nadeel was uitgevallen en dat het rechtszekerheidsbeginsel was geschonden door onvoldoende duidelijkheid over de vertrekplicht en de voorwaarden voor herkrijgen van verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat hij werk zocht of een reële kans op werk had, mede omdat hij niet ingeschreven stond bij het UWV als werkzoekende. Verder was het niet nodig om nader onderzoek te doen naar onvrijwillige werkloosheid gezien de lange periode van werkloosheid. Ook beschikte eiser niet over voldoende middelen van bestaan en had hij geen vaste woon- of verblijfplaats. De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt en het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden, aangezien de minister voldeed aan de informatieplicht en de vertrektermijn van één maand voldoende was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 24 november 2025.