ECLI:NL:RBDHA:2025:26234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.5463
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Djiboutiaanse burger met problemen vanwege homoseksuele geaardheid

In deze zaak heeft eiser, een Djiboutiaanse burger, op 21 januari 2025 de minister van Asiel en Migratie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft op 5 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 29 april 2025 heeft de minister alsnog op de asielaanvraag beslist en deze afgewezen. Eiser heeft vervolgens beroepsgronden ingediend tegen dit besluit. De rechtbank heeft de zaak op 9 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk en de gemachtigde van de verweerder.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat de minister inmiddels op de aanvraag heeft beslist. Eiser handhaaft dit onderdeel van zijn beroep echter met het oog op een proceskostenveroordeling. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser.

Eiser heeft zijn asielaanvraag gebaseerd op zijn homoseksuele geaardheid en de problemen die hij in Djibouti heeft ondervonden. De rechtbank oordeelt dat de minister het asielmotief van identiteit en nationaliteit geloofwaardig acht, maar het motief van homoseksuele geaardheid niet. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor summier en ontwijkend heeft verklaard, en dat hij niet voldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving en ervaringen. De rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Djibouti. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt wel veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5463

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding en procesverloop

Eiser heeft verweerder op 21 januari 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag).
Op 5 februari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.
Bij besluit van 29 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag beslist en deze afgewezen.
Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit.
Op 6 mei en 30 september 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 ter zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
1. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, omdat verweerder alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. Eiser handhaaft dit onderdeel van zijn beroep met het oog op een proceskostenveroordeling. De destijds verstuurde ingebrekestelling is geldig. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met het instellen van dit beroep (0,5 punt).
Het beroep tegen het bestreden besluit
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Djiboutiaanse nationaliteit. Op 29 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser zijn homoseksuele geaardheid ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat hij in 2017 tot het besef is gekomen dat hij zich een meisje voelt. Zijn familie is hiervan op de hoogte geraakt. Vanaf dat moment is hij slachtoffer geworden van mishandelingen, waarbij met name geweld van zijn oom en neef voor hem de directe aanleiding is geweest om zijn land van herkomst te verlaten. Op 21 juni 2020 is eiser uit Djibouti vertrokken.
2.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder de volgende asielmotieven vastgesteld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege homoseksuele geaardheid.
2.3.
Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief acht verweerder echter niet geloofwaardig, omdat volgens hem de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat eiser niet langer wordt tegengeworpen, zoals in het voornemen is opgenomen, dat hij niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw voldoet (alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen). Volgens verweerder doet er zich geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw is de asielaanvraag afgewezen.
Beoordeling van de beroepsgronden
Ondertekening van het besluit
3. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte niet is ondertekend, zodat sprake is van een gebrek. Hij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4082.
3.1.
In de uitspraak waarnaar eiser verwijst heeft de Afdeling geoordeeld dat een terugkeerbesluit kenbaar en toetsbaar moet zijn en daarom in beginsel moet zijn ondertekend. Doordat het betreffende terugkeerbesluit geen ondertekening bevatte, had de vreemdeling niet kunnen controleren of dat besluit door een bevoegd persoon is genomen.
3.2.
Eiser stelt terecht dat het bestreden besluit geen elektronische handtekening bevat. In dit geval is echter onderaan het bestreden besluit de naam van de beslismedewerker vermeld. In het colofon is opgenomen dat deze medewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming, Boa Utrecht (tijdelijke locatie). Eiser heeft dus kunnen controleren of het bestreden besluit door een bevoegd persoon is genomen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet het geval is.
3.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid problemen vanwege homoseksuele geaardheid
4. Verder heeft verweerder volgens eiser het tweede asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe voert eiser aan dat verweerder – gelet op het ontbreken van een geschetst en toetsbaar referentiekader – geen inzichtelijk beoordelingskader heeft gehanteerd. Dit is volgens eiser relevant vanwege het moeizame verloop van het nader gehoor: verweerder is er niet in geslaagd hem te bewegen alle vragen te beantwoorden die noodzakelijk zijn om een volledig beeld van zijn relaas te verkrijgen. Ook vult eiser in de beroepsgronden zijn verklaringen aan ten aanzien van het kleden als meisje door te stellen dat hij daarmee in 2017 is begonnen toen hij zich besefte dat hij homoseksueel is. Hij kreeg hierdoor veel problemen en werd vaak mishandeld tot de mishandelingen hem te veel werden en hij te bang was om zich zo te uiten. In Nederland draagt hij soms meisjeskleding, iets waar hij zich goed bij voelt. Hij heeft de vragen over zijn partner niet goed begrepen, maar hij heeft hem ontmoet in de supermarkt en ze hebben twee maanden een relatie gehad. Hij vond hem aantrekkelijk en hield van de manier waarop hij liep en sprak. Verder kan er niet verwacht worden dat hij meer verklaart dan hij heeft gedaan, stelt eiser.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Verweerder moet, rekening houdend met het referentiekader, bepalen welk gewicht toekomt aan de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid (zie de werkinstructie 2019/17). Dit hoeft niet aan de hand van een specifiek uitgewerkt referentiekader, zo volgt uit de omarmende bevestiging door de Afdeling van de uitspraak van 23 augustus 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg (ECLI:NL:RBDHA:2024:13552). De rechtbank verwijst naar de Afdelingsuitspraak van 2 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4943). De rechtbank stelt in dit kader verder voorop dat eiser tijdens het hele nader gehoor summier en ontwijkend heeft verklaard. Op vragen als ‘Kunt u mij daar meer over vertellen?’ heeft hij geantwoord met ‘Nee’ (p.10, p. 15) en op ‘Wat gebeurde er op dat moment?’ ‘Het is niet verplicht om dit aan u te vertellen’ (p. 15). Eiser blijft, voor zover hij wel verklaart, steken in algemene bewoordingen als ‘Ik voelde mij een meisje’ en ‘Ik voelde mij blij’, zonder concreet te maken wat meisjesgevoelens voor hem persoonlijk betekenden of wat maakte dat hij zich blij voelde. Een vraag als ‘Kunt u me dan wat vertellen over die verandering?’, die de kern van zijn asielrelaas raakt, beantwoordt eiser uiteindelijk met ‘Ik ben veranderd. Het gevoel dat ik een meisje ben’. Eiser heeft vragen geweigerd te beantwoorden over onder meer de omschrijving van zijn geaardheid (nader gehoor, p. 7-8), zijn zelfidentificatie (p. 9), zijn gestelde ‘meisjesgevoelens’ (p. 10), zijn gedragingen (p. 14) en zijn relaties in Djibouti (p. 15-16) en in Nederland (p. 20). Dat niet kan worden verwacht dat hij meer verklaart, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Het is aan hem om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en tijdens het nader gehoor is er veel aan gedaan om eisers relaas boven tafel te krijgen. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat is benadrukt dat eiser vrij is om over het onderwerp te spreken. De hoormedewerker zegt het daarnaast belangrijk te vinden dat iedereen zichzelf kan zijn en daarover kan praten. Aan eiser is duidelijk gemaakt dat het herhaaldelijk weigeren te antwoorden in zijn nadeel kan werken. Ook is hem nog gevraagd of de hoormedewerker iets kon doen om hem tot uitgebreidere antwoorden te bewegen. Dat dit ondanks alles niet is gelukt, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verweerder te wijten. Eiser heeft verder ook niet kunnen toelichten of concreet kunnen maken wat maakte dat hij niet in staat was om meer te verklaren over zijn gedachten of gevoelens dan hij heeft gedaan. Eiser stelt in de aanvullende gronden slechts dat hij in meisjeskleding boodschappen deed en daardoor problemen ondervond, zonder te verduidelijken wat dit in Djibouti inhield, hoe hij dit beleefde of welke gevolgen dit had. Ook heeft hij niet concreet of inzichtelijk gemaakt wat de door hem gestelde ‘meisjesgevoelens’ voor hem verder inhielden.
4.2.
Verweerder heeft het verder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte bevreemdend geacht dat eiser enerzijds ernstige problemen met zijn familie stelt en veel te zijn mishandeld, maar anderzijds dat hij (buiten zijn familie om) een ‘normaal leven’ leidde en openlijk zijn geaardheid deelde. Ook eisers verklaringen over zijn relaties, zowel in Djibouti als in Nederland, blijven algemeen. Hij verklaart slechts dat het goed voelde of dat hij iemand aantrekkelijk vond, zonder inzicht te bieden in zijn persoonlijke beleving, innerlijke motieven of betekenis van deze relaties. Tijdens het nader gehoor heeft eiser niet verteld wat de naam was van de jongen met wie hij in Djibouti een relatie had. Ook in zijn nadere toelichting over de relatie met Abu Bakr blijft eiser algemeen en ontbreekt, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, wezenlijk inzicht in zijn persoonlijke beleving of gevoelens.
4.3.
Deze tegenwerpingen bieden gezamenlijk voldoende grond voor de conclusie van verweerder dat eisers seksuele geaardheid niet geloofwaardig is. Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom niet meer gewicht aan eisers verklaringen is toegekend. Verweerder heeft daarbij in het bestreden besluit niet ten onrechte gesteld dat eisers gebrek aan opleiding hem niet ontslaat van de verwachting dat hij verklaart over zijn motieven en persoonlijke ervaringen. Eiser heeft niet concreet gemaakt wat verweerder precies anders had moeten doen, rekening houdend met eisers referentiekader en de manier waarop eiser heeft verklaard. Nu zijn relaas niet getuigt van een persoonlijke en authentieke beleving, hoeft de rechtbank de andere beroepsgronden die zijn aangevoerd – zoals het ontbreken van behoefte aan contact met de LHBTI-gemeenschap – niet meer te bespreken.
4.4.
De beroepsgronden slagen niet.
Heeft verweerder een voor eiser begrijpelijke vertaling van het terugkeerbesluit verstrekt?
5. Eiser heeft in de zienswijze verzocht om een schriftelijke vertaling, in een voor hem begrijpelijke taal, van de belangrijkste onderdelen van het terugkeerbesluit. Door dit niet te verstrekken heeft verweerder volgens eiser gehandeld in strijd met artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.
5.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het artikel waarop eiser zich beroept bepaalt dat de lidstaten op verzoek een schriftelijke of mondelinge vertaling verstrekken, in een taal die de betrokkene begrijpt of redelijkerwijs geacht kan worden te begrijpen, van de belangrijkste onderdelen van een terugkeerbesluit, waaronder de informatie over de beschikbare rechtsmiddelen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit met eisers gemachtigde is besproken, in aanwezigheid van een tolk die ervoor zorgde dat eiser de inhoud kon begrijpen. Daarbij komt in dit geval dat onder het kopje
Gevolgen van dit besluiteen QR-code is opgenomen die, onder meer in het Somalisch informatie geeft over de inhoud en gevolgen van een terugkeerbesluit en de daartegen openstaande rechtsmiddelen.
Arrest Adrar
6. Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), dat de rechtbank ambtshalve aan het beginsel van non-refoulement moet toetsen. Dit klopt, maar die ambtshalve toets bestond al in asielzaken en dit arrest gaat over bewaringszaken. Omdat verweerder eisers asielmotieven niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
Uitkomst
7. Het beroep is ongegrond. Gelet op overweging 1. zal de rechtbank verweerder wel veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Voor een proceskostenveroordeling in verband met eisers beroep tegen het bestreden besluit bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.