ECLI:NL:RBDHA:2025:26381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.24914
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verordening en BMA-advies

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juni 2025 waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling is genomen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep en een verzoek om voorlopige voorziening behandeld, waarbij aanvullende medische informatie is overgelegd en een BMA-advies is ingewonnen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, en dat eiser onvoldoende objectieve aanknopingspunten heeft geleverd om dit te weerleggen. Het BMA-advies concludeert dat eiser kan reizen onder strikte medische voorwaarden, waaronder begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en fysieke overdracht aan een psychiater in Frankrijk.

Hoewel eiser ernstige psychische klachten heeft, is niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zal leiden. De rechtbank volgt het BMA-advies en wijst het beroep af. De rechtbank benadrukt dat het aan eiser is om aan te tonen dat de zorg in Frankrijk onvoldoende is, wat niet is gelukt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak en mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.24915) eerst op 3 juli 2025 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om eiser in staat te stellen aanvullende medische informatie over te leggen.
1.2.
Eiser heeft op 3 en 17 september 2025 medische informatie overgelegd van zijn behandelaar. Verweerder heeft vervolgens op 22 september 2025 aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat er een BMA-onderzoek is opgestart.
1.3.
Op 13 oktober 2025 heeft verweerder een BMA-advies van 10 oktober 2025 aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft hier op 20 november 2025 op gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 21 november 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 5 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, J. Singh als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
De beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat sprake is van gegronde redenen om aan te nemen dat Frankrijk systemische tekortkomingen in de asielprocedure of opvangomstandigheden vertoont, die een reëel risico inhouden op onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 4 EU Pro-Handvest). In de praktijk blijken kwetsbare asielzoekers in Frankrijk vaak zonder opvang te raken, of in erbarmelijke omstandigheden te verblijven. In het geval van eiser komt daar nog bij dat hij kwetsbaar is vanwege zijn ernstige psychische klachten als gevolg van marteling in Kameroen. Verweerder heeft geen ten onrechte nader onderzoek in Frankrijk gedaan of om aanvullende garanties gevraagd. In Frankrijk zal eiser niet de juiste zorg krijgen. Eiser doet te slotte een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5.1.
Eiser stelt zich – in reactie op het BMA-advies van 10 oktober 2025 – aanvullend op het standpunt dat het BMA-advies onvoldoende inzage geeft in de gevolgen van de overdracht op de gezondheid van eiser. Verweerder heeft onvoldoende gekeken naar de zorg na overdracht in Frankrijk. Onderbreking van de zorg kan leiden tot ernstige gevolgen. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest C.K. [2] De enkele verwijzing naar het BMA-advies volstaat in dit geval niet, mede omdat hij niet door een BMA-arts zelf is onderzocht.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de opvangvoorzieningen en de asielprocedure, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft in beroep immers geen objectieve aanknopingspunten overgelegd op basis waarvan het vermoeden dat Frankrijk aan zijn verdragsverplichtingen voldoet, wordt weerlegd.
6.1.
Verweerder stelt verder terecht dat Frankrijk met het claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling wordt genomen. Verweerder had gelet op het vorenstaande geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen of ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Mocht eiser van mening zijn dat Frankrijk zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de daartoe bevoegde Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat de daartoe bevoegde Franse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
6.2.
De rechtbank stelt verder vast dat uit het door eiser overgelegde medisch dossier blijkt dat eiser ernstige psychische problemen heeft. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom hij in Frankrijk niet de juiste zorg zal kunnen krijgen of dat sprake is van een bijzondere opvangbehoefte waar het Franse asielsysteem niet in kan voorzien. Verder zijn er ook geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser op te vangen. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat Frankrijk vergelijkbare medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen en dat niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk zou zijn. Eiser heeft weliswaar in beroep gewezen op een aantal uitspraken van de rechtbanken, de Afdeling, het EHRM en het Hof van Justitie van de EU, maar heeft niet toegelicht waarom deze uitspraken leiden tot het oordeel dat in het specifieke geval van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan jegens Frankrijk.
Medische situatie en beroep op het arrest C.K.
7. Uit het BMA-advies blijkt het volgende. Aan de hand van de door eiser (en zijn behandelaars) overgelegde informatie komt het BMA tot de conclusie dat eiser kan reizen, mits er aan de in het advies genoemde reisvoorwaarden wordt voldaan. Hierover staat in het BMA-advies onder meer het volgende:

Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening door anderen (derden) noodzakelijk is, namelijk:
- vanaf het moment van de beschikking tot aan de fysieke overdracht betrokkene goed in de gaten te laten houden;
- meereizen van een psychiatrisch verpleegkundige. Deze kan betrokkene begeleiden gedurende de reis en de medicatie in beheer houden;
- direct na de reis een fysieke overdracht aan een psychiater.(…)
Aanbevolen wordt, dat betrokkene een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de
periode van de reis te overbruggen.(…)Een fysieke overdracht aan een psychiater, die kan beoordelen hoe betrokkene de reis doorstaan heeft, het risico op suïcide kan inschatten en hem verder kan behandelen, is geïndiceerd vanwege het risico op een toename van suïcidaliteit in stresssituaties en daarmee het risico op een spontane of een geplande zelfmoordpoging. De fysieke overdracht kan plaatsvinden op het vliegveld of in een psychiatrische instelling.’
7.1.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat hij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen vanwege de medische situatie van eiser. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij kampt met psychiatrische klachten en hier inmiddels voor wordt behandeld, heeft eiser niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Frankrijk tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden (in de zin van het arrest C.K). Verweerder heeft met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk onderzocht en heeft van het BMA-advies mogen uitgaan. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K. Ter toelichting hierop overweegt de rechtbank het volgende.
7.2.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het BMA-advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit het advies blijkt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden van eiser kenbaar heeft betrokken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat een arts van het BMA hem zelf had moeten onderzoeken. Uit het advies blijkt dat de arts van het BMA het op basis van de verstrekte medische informatie van de behandelaars niet noodzakelijk heeft geacht om eiser op te roepen voor een spreekuuronderzoek, noch om nader specialistisch onderzoek te laten verrichten. Die inschatting ligt op het terrein van de BMA-arts als deskundige en eiser heeft niet concreet gemaakt waarom de BMA-arts tot een andere inschatting had moeten komen.
7.3.
Eiser meent dat onderbreking van de zorg door de overdracht kan leiden tot ernstige psychische ontregeling en een verhoogd risico op suïcidaliteit. Dat de overdracht een zodanig ernstige weerslag op de gezondheid van eiser zal (kunnen) hebben dat sprake is van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende uit de door eiser overgelegde stukken. Eiser voert in dit verband nog aan dat zijn psychiater geen uitspraken mag doen over het risico op suïcide na overdracht en dat hij hierdoor in een onmogelijke bewijspositie wordt gesteld. De rechtbank erkent dat een behandelend psychiater geen geneeskundige verklaring mag afgeven over eigen patiënten. Zoals eisers psychiater in zijn verklaring ook heeft aangegeven, dient hiervoor een onafhankelijke psychiater benaderd te worden. Gesteld noch gebleken is dat eiser dit heeft gedaan. De rechtbank constateert met verweerder dat in het BMA-advies is onderkend dat in stresssituaties het suïciderisico toeneemt. Het BMA heeft daarmee rekening gehouden door in het bijzonder de voorwaarden te stellen dat eiser gedurende de reis wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige en na aankomst fysiek wordt overgedragen aan een psychiater. De rechtbank ziet onvoldoende objectieve aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet afdoende is.
7.4.
Eiser voert verder aan dat in het BMA-advies geen rekening is gehouden met het risico dat de voortzetting van de psychische zorg voor eiser onvoldoende is gewaarborgd in Frankrijk. Die constatering van eiser is feitelijk juist. Verweerder heeft hierin gehandeld overeenkomstig WI 2021/3 en de door hem genoemde rechtspraak van de Afdeling. [4] Het is primair aan eiser om aannemelijk te maken dat de overdracht – ondanks de reisvoorwaarden – zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie. Eiser is hierin niet geslaagd. De rechtbank overweegt hierbij nog dat in het BMA-advies staat dat eiser dient te worden overgedragen aan een psychiater. Die psychiater is vervolgens in beginsel de aangewezen deskundige om te beoordelen welke zorg eiser op dat moment wel of niet nodig heeft. Niet gebleken is dat de behandeling die eiser nodig zou hebben, niet aanwezig of beschikbaar is in Frankrijk. De Franse autoriteiten zullen bovendien beschikken over de medische gegevens van eiser, waardoor zij op een zorgvuldige manier kunnen beoordelen welke voorzieningen nodig zijn voor eiser. De rechtbank verwijst ten slotte naar wat is overwogen in het kader van overweging 6.2.
Onevenredige hardheid
8. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht aan Frankrijk af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Dat eiser heeft verklaard gemarteld te zijn in zijn land van herkomst, maakt niet dat verweerder eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling heeft moeten nemen. Eiser heeft verder geen andere gronden aangevoerd in dit kader.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. De rechtbank wijst verweerder er (wellicht ten overvloede) nog op dat de gemachtigde van eiser op de nadere zitting nadrukkelijk heeft gevraagd haar op de hoogte te houden van de feitelijke overdracht van eiser en de in verband daarmee getroffen voorzieningen om te voldoen aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 in de zaak
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, ABRvS 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
4.Onder meer de uitspraken van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4458 en 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774.