ECLI:NL:RBDHA:2025:26423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.4493 en NL25.4494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Libische eisers wegens ongeloofwaardigheid van gestelde problemen met soldaten

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025 uitspraak gedaan in de asielprocedure van twee Libische eisers, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hadden aangevraagd. De rechtbank verklaart het beroep van de eisers ongegrond, omdat zij niet geloofwaardig hebben gemaakt dat zij problemen hebben gehad met soldaten van [persoon A]. De eisers, een man en zijn vrouw, hebben in het verleden meerdere asielprocedures doorlopen en zijn in 2023 opnieuw Nederland binnengekomen. Hun asielaanvraag is gebaseerd op de stelling dat de man is afgeperst en mishandeld door soldaten van [persoon A] omdat hij niet in het leger wilde dienen. De rechtbank oordeelt dat de door eisers aangevoerde problemen met de soldaten ongeloofwaardig zijn, mede omdat zij geen bewijs hebben overgelegd van hun werkzaamheden in de autobranche en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de tijdlijn van hun problemen. De rechtbank concludeert dat er geen grond is voor de vrees van eisers voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Libië. De uitspraak bevestigt dat de ongeloofwaardigheid van de asielmotieven ook doorwerkt in andere relevante elementen van het asielrelaas. De rechtbank handhaaft het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de aanvragen af te wijzen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.4493 en NL25.4494

uitspraak van de enkelvoudig kamer in de zaken tussen

[naam eiser] ,hierna: eiser,
[naam eiseres], hierna: eiseres,
mede namens [naam kind], hierna: het kind, hierna tezamen: eisers,
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3]
gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E. Herlaar.

Procesverloop

Bij besluiten van 23 januari 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond, hun opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en geweigerd een bestuurlijke dwangsom toe te kennen.
Eisers hebben op 30 januari 2025 beroepen tegen de bestreden besluiten ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de tolk N. Fayez en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1971 en heeft de Libische nationaliteit. Eiseres is zijn echtgenote. Zij is geboren op [geboortedatum 2] 1979 en heeft ook de Libische nationaliteit. Eiser en eiseres hebben in 2011 en 2013 in Nederland verbleven. Tijdens dit verblijf hebben zij meerdere asielprocedures doorlopen. Hun kind is na eerste terugkeer in Libië geboren op [geboortedatum 3] 2013 en heeft eveneens de Libische nationaliteit. Op 1 juli 2014 zijn eisers (opnieuw) vanuit Nederland naar Libië teruggekeerd met het IOM. Op 7 januari 2023 zijn eisers Nederland opnieuw binnengekomen. De in deze zaak voorliggende asielaanvragen hebben eisers op 21 januari 2023 ingediend.
1.2.
Eisers hebben aan de asielaanvragen ten grondslag gelegd dat eiser is afgeperst, mishandeld en gevangen is genomen door soldaten van [persoon A] omdat eiser niet in leger wilde dienen. Eisers vrezen bij terugkeer dat eiser wordt gedood door de soldaten van [persoon A] .
De bestreden besluiten
2.1.
Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- problemen van eiser met de soldaten van [persoon A] .
2.2.
Verweerder acht de door eisers opgeven identiteit, Libische nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde problemen met de soldaten van [persoon A] ongeloofwaardig. Dat eisers uit Libië komen is op zichzelf niet genoeg om te kwalificeren als vluchteling of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Er doet zich volgens verweerder daarom geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Gelet daarop heeft verweerder de asielaanvraag van eisers afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
Beoordeling
3. Eiser en eiseres hebben verklaard dat zij uit Libië zijn vertrokken omdat eiser in Libië problemen heeft gekregen met soldaten van [persoon A] . Zij zijn een aantal malen naar het autobedrijf van eiser gekomen en hebben gezegd dat eiser in het leger moest dienen, anders zou hij geld moeten betalen. Eiser heeft vervolgens een aantal malen geldbedragen betaald totdat het teveel werd. Vervolgens is eiser meegenomen en gevangen gezet. Twee dagen later is eiser vrijgelaten en is aan hem verteld dat ze over een maand of over anderhalve maand zouden terugkomen om meer geld te halen. In die tussentijd zijn eisers en eiseres gevlucht.
4. Eisers betogen dat verweerder de problemen van eiser met de soldaten van [persoon A] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eisers niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat eiser werkzaamheden in de autobranche verrichtte. Eisers stellen dat eiser auto’s uit de showroom moest afstaan om te voorkomen dat hij in het leger van [persoon A] moest dienen. Weliswaar zien deze eerdere activiteiten van eiser niet specifiek op het gevaar dat eisers stellen te lopen zelf maar houden wel verband met de afpersing van eiser. Het is dus indirect bewijs dat het asielrelaas van eisers geloofwaardig zou kunnen maken. De rechtbank stelt voorop dat eisers (een deel van) de administratie van het autobedrijf hadden kunnen meenemen of laten opsturen. Eisers hebben Libië ergens tussen de twee tot vier jaar na de beëindiging van het autobedrijf in september 2022 verlaten, dus zij hadden hiervoor voldoende gelegenheid. Eiser heeft tijdens het nader gehoor (zie NG, p. 15 en 16) verklaard dat de lijst met autoverkopen in Libië zijn achtergebleven en dat de boekhouding bij zijn familie ligt. Ter zitting heeft eiser, desgevraagd, verduidelijkt dat ook de lijst met autoverkopen in het familiehuis in Libië ligt. Verweerder heeft van eisers dan ook mogen verwachten dat zij de familie om deze stukken zouden vragen. Eisers hebben op zitting onvoldoende kunnen uitleggen waarom ze dit niet hebben gedaan. Eiser heeft verklaard dat zijn broers de stukken niet naar Nederland willen sturen omdat zij geen risico’s durven te nemen nu zijzelf als soldaten voor [persoon A] werken. Dit neemt echter niet weg dat andere familieleden, zonder banden met het leger van [persoon A] , de stukken hadden kunnen opsturen. Niet is gesteld of gebleken dat andere familieleden eenzelfde soort risico lopen en/of geen toegang hadden tot deze stukken. Verweerder heeft de verklaring die eisers hebben gegeven voor het ontbreken van de lijst met autoverkopen en de administratie van het autobedrijf dan ook niet ten onrechte onbevredigend gevonden.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers met hun verklaringen niet geloofwaardig hebben gemaakt dat zij problemen hebben gehad met de soldaten van [persoon A] . De rechtbank legt dat hieronder uit.
4.2.1.
Verweerder mag van eisers verwachten dat zij consistent kunnen verklaren over de (aanleiding voor de) afpersing van eiser omdat dit een belangrijk onderdeel is van de problemen van eiser met de soldaten van [persoon A] en daarom raakt aan de kern van het asielrelaas van eisers. Verweerder heeft onder meer tegengeworpen dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de vraag door wie eiser is benaderd en over het contact met [persoon B] . Verweerder heeft meer specifiek overwogen dat tegenstrijdig is dat eiser eerst heeft verklaard dat hij is benaderd door een van de leiders – te weten: [persoon B] – (zie AMG, p. 7) en later dat hij door de soldaten van [persoon A] is benaderd en geen namen weet van deze soldaten (zie NG, p. 5, 8 en 10). De rechtbank kan eisers echter in hun standpunt volgen dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft bedoeld te zeggen dat de soldaten ‘in naam van [persoon B] ’ kwamen en hij door de vraagstellingen tijdens het aanmeldgehoor aldus heeft geantwoord. Verweerder stelde de vraag wie hem heeft benaderd, waarna eiser heeft geantwoord: een van de leiders, genaamd [persoon B] (zie AMG, p. 7). Verweerder stelde daarna de vervolgvraag wanneer dit gebeurde, en vervolgens heeft eiser geantwoord dat ze vanaf 2015 begonnen langs te komen. De formulering van deze vragen laat onduidelijkheid bestaan over wat er zich feitelijk precies heeft voorgedaan. Dit maakt dat niet kan worden uitgesloten dat het voor eiser onduidelijk was of gevraagd werd door welke persoon hij de eerste keer feitelijk is benaderd. Bovendien heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij [persoon B] uit hoofde van zijn positie als leider voor het eerst tijdens zijn gevangneming heeft gezien (zie NG, p. 11 en 13). Deze verklaring strookt met de volgorde van de personen met wie eiser stelt achtereenvolgens in aanraking te zijn gekomen. De rechtbank volgt dan ook niet de tegenwerping dat op dit punt sprake is van tegenstrijdige verklaringen van eisers.
4.2.2.
Hoewel eisers terecht hebben aangevoerd dat het voorgaande punt aan hen is tegengeworpen, leidt dit op grond van het volgende evenwel niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
4.2.3.
Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop eiser is gestopt met de werkzaamheden in de autobranche. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor verklaard dat hij ergens tussen 2018 en 2019 is gestopt met zijn autobedrijf en daarna is begonnen met de verkoop van huishoudelijke apparaten (zie NG, p. 14), terwijl eiseres tijdens haar nader gehoor heeft verklaard dat het probleem in 2017 is geëscaleerd en eiser in 2017 à 2018 van baan is gewisseld (zie NG, p. 8). Dat eisers niet al tijdens de aanmeldgehoren zijn geconfronteerd met deze tegenstrijdige verklaringen maakt niet dat verweerder dit niet aan eisers kan tegenwerpen. De gehoren vonden op 16 januari 2025 vanaf 09:25 uur en 09:34 uur en dus nagenoeg gelijktijdig plaats zodat de gehoorambtenaren daartoe ook niet de gelegenheid hadden. Eisers hadden wel de mogelijkheid om op dit punt correcties en aanvullingen naar voren te brengen, wat zij ook hebben gedaan. In de correcties en aanvullingen hebben eisers echter weer een ander moment genoemd waarop eiser is gestopt met het autobedrijf, namelijk ongeveer in 2020. Vervolgens heeft eiser ter zitting opnieuw een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij ergens tussen 2020 en 2021 met het autobedrijf is gestopt. Verweerder heeft voormelde tegenstrijdige verklaringen dan ook niet ten onrechte aan eisers tegengeworpen.
4.2.4.
Evenmin heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop de problemen met de soldaten van [persoon A] zijn begonnen. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat de soldaten in 2015 begonnen langs te komen (zie AMG, p. 7), terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij eerst in 2017 is benaderd door de soldaten van [persoon A] en de problemen in 2017 zijn begonnen (zie NG, p. 7-8). Toen eiser door de gehoormedewerker met deze tegenstrijdigheid is geconfronteerd heeft eiser verklaard zich dit niet te kunnen herinneren en dat dit misschien een typefout is (zie NG, p. 10). Dit verklaart echter niet dat eiser ook tegenover de vreemdelingenpolitie (zie AVIM-gehoor, p. 4) heeft verklaard dat hij eerst in 2015 door de militie van [persoon A] is benaderd. In de correcties en aanvullingen heeft eiser geen gebruik gemaakt om ten aanzien van deze verklaringen tekortkomingen en onjuistheden naar voren te brengen. Uit de correcties en aanvullingen kan dus niet worden afgeleid welk jaartal volgens eisers juist is en waarom. De in beroep gegeven verklaring dat eiser zich vergist heeft in de jaartallen, heeft verweerder niet hoeven volgen. Eiser is in 2014 vanuit Nederland naar Libië teruggekeerd, zodat verwacht mag worden dat hij kan plaatsen of hij binnen een jaar na terugkeer problemen kreeg of na drie jaar. Bovendien hebben eisers ook ter zitting nog steeds niet duidelijk gemaakt in welk jaar de problemen zijn begonnen en waarom. Verweerder stelt dan ook niet ten onrechte dat deze tegenstrijdige verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers.
4.2.5.
Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eisers over de uitreis, in het licht van de beschikbare landeninformatie, ongerijmd zijn. Uit de verklaringen van eisers volgt dat zij zonder problemen en op legale wijze konden uitreizen naar Turkije, Tunesië en Egypte (zie AMG eiser, p. 9 en 14 en AMG eiseres, p. 10). Ook heeft eiseres verklaard dat zij op de luchthaven in Benghazi zijn gecontroleerd (zie AMG, p, 10). Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Libië van februari 2023 (p. 72) dat het bekend is dat op internationale vliegvelden van Tripoli en Benghazi gewapende groepen en inlichtingendiensten gelieerd aan de autoriteiten aanwezig zijn. Reizigers die via die vliegvelden in- of uitreizen worden zwaar gecontroleerd. Ook volgt uit het ambtsbericht (p. 72) dat veel gewapende groepen met banden met de GNA of het Libische Nationale Leger (LNA) (waarvan de vader van [persoon A] ( [persoon C] ) volgens p. 8 van het ambtsbericht de commandant is) databases bijhouden van personen die worden gezocht vanwege hun vermeende oppositieactiviteiten of vanwege hun identiteit. Tegen die achtergrond is het lastig te rijmen dat eisers zonder problemen en op legale wijze Libië konden uitreizen terwijl zij stellen in de negatieve belangstelling te staan van de soldaten van [persoon A] en op de luchthaven in Benghazi te zijn gecontroleerd. In de correcties en aanvullingen op het AVIM-gehoor en het aanmeldgehoor is nog aangevoerd dat eisers tegen betaling door bekenden zijn geholpen bij de controles op de luchthavens Benghazi en Tripoli en zij hierdoor geen problemen hebben ondervonden. Tijdens zijn nader gehoor heeft eiser vervolgens toegelicht dat hij geld heeft betaald om zijn naam uit het systeem op de computer te krijgen (zie NG, p. 6). Hoewel het niet ondenkbaar is dat de soldaten van [persoon A] met omkoping konden worden omzeild, hebben eisers dit punt pas laat in de asielprocedure naar voren gebracht en hebben zij hierover onvoldoende concreet verklaard. Ter zitting heeft eiser geen namen kunnen noemen van de personen die hij inschakelde om hun gegevens uit het systemen te laten verwijderen, niet kunnen aangeven of hij de betaling aan derden in persoon heeft gedaan en niet kunnen uitleggen hoe hij de betaling heeft kunnen doen terwijl hij ook stelt in Libië in serieuze betalingsproblemen te verkeren. Verweerder stelt dan ook niet ten onrechte dat deze ongerijmde verklaringen niet afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers.
4.3.
Het standpunt van zover eisers dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de opvolgende arrestatie, detentie, martelingen en de bedreiging van zijn zoon op hun eigen merites te beoordelen op geloofwaardigheid, verwerpt de rechtbank. Bij zijn onderzoek verdeelt verweerder het asielrelaas van een vreemdeling onder in verschillende asielmotieven (dit volgt ook uit Werkinstructie 2024/6). Een asielmotief is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel subsidiaire beschermingsstatus (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815, onder 6.2). De door eiser genoemde opvolgende gebeurtenissen zijn zo nauw met elkaar verweven dat verweerder ervoor heeft kunnen kiezen deze niet als afzonderlijke gebeurtenissen op hun eigen waarde te beoordelen. Daarmee is het begrijpelijk dat de ongeloofwaardigheid van de bedreigingen door de soldaten van [persoon A] ook betekent dat de daaropvolgende arrestatie en detentie als ongeloofwaardig zijn aangemerkt. Ook als verweerder de problemen met de soldaten van [persoon A] wel zou hebben onderscheiden van eisers arrestatie en daarmee samenhangende gebeurtenissen zou deze beroepsgrond van eisers niet slagen. Uit de Afdelingsuitspraak van 5 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:7 volgt dat niet is uitgesloten dat de ongeloofwaardigheid van een asielmotief binnen een asielrelaas doorwerkt in de geloofwaardigheid van andere relevante elementen, zij het dat verweerder moet motiveren waarom die doorwerking er is. Verweerder stelt terecht dat de door eisers beweerde arrestatie, detentie, martelingen en de bedreiging van zijn zoon enkel en alleen verband houden met de weigering van eiser gehoor te geven om te dienen in het leger van [persoon A] . Nu verweerder de (aanleiding van de) gestelde problemen van eiser met de soldaten van [persoon A] niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder deze ongeloofwaardigheid niet heeft kunnen laten doorwerken in de geloofwaardigheid van de gestelde arrestatie en daarmee samenhangende gebeurtenissen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Nu de gestelde problemen met de soldaten van [persoon A] niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, bestaat er geen grond voor het oordeel dat eisers bij terugkeer naar Libië een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. De tegen deze conclusie aangevoerde beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie
6. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.