ECLI:NL:RBDHA:2025:26810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.23946 en NL25.23947
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 30, derde lid, Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArtikel 8:81 Algemene wet bestuursrechtArtikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen verwijderingsmaatregel EU-werkzoekende zonder rechtmatig verblijf

Eiser, een Poolse staatsburger, verbleef sinds 2016 met onderbrekingen in Nederland en werd door de minister van Asiel en Migratie geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. De minister stelde dat eiser sinds december 2022 geen inkomen had, geen vaste woon- of verblijfplaats, en geen reële kans op werk, mede gelet op strafrechtelijke antecedenten en overlast.

Eiser voerde aan dat hij actief werk zocht, een reële kans op arbeid had en onvrijwillig werkloos was, waarbij hij stelde dat de minister een onjuiste maatstaf hanteerde en onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden. Ook betwistte hij de korte vertrektermijn en de belangenafweging.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reële kans op werk had, mede omdat de redelijke termijn van zes maanden was verstreken zonder bewijs van inschrijving bij het UWV of andere relevante documenten. De rechtbank verwierp het beroep op onvrijwillige werkloosheid omdat het dienstverband eindigde door het verstrijken van de arbeidsovereenkomst en eiser niet was ingeschreven als werkzoekende bij het UWV.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser niet in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien, gelet op het ontbreken van inkomsten, het verzamelen van statiegeldblikjes en het ontvangen van gratis voedsel, en dat de minister een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. De vertrektermijn van een maand werd als passend beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23946 en NL25.23947
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Bij besluit van 28 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard en heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.
2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser is naar eigen zeggen in 2016 naar Nederland gekomen en is in 2019 teruggekeerd naar Polen. In 2022 is eiser opnieuw naar Nederland gekomen. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland en geen arbeid verricht. Eiser is vaak in aanraking gekomen met de politie vanwege overlast in de vorm van ‘overlast zwervers’, overlast door ‘verward/overspannen persoon’, overlast in verband met alcohol/drugs, en ook vanwege het plegen van vermogensdelicten, zoals (winkel)diefstal. Vanwege deze strafrechtelijke antecedenten en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats is eiser op door de politie gehoord. Eiser heeft daarnaast sinds december 2022 geen inkomen uit werk of uitkering gehad en heeft geen eigen middelen van bestaan, volgens verweerder. Ook is niet gebleken dat eiser op zoek is naar werk en daarop een reële kans maakt.
4. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. [1] Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt ten eerste dat hij een reële kans op arbeid heeft. Hij is langdurig actief geweest op de Nederlandse arbeidsmarkt via diverse uitzendbureaus. De aard van het uitzendwerk maakt dat tijdelijke onderbrekingen gebruikelijk zijn. Eiser spant zich actief in om werk te vinden, onder meer via zijn netwerk, en gezien zijn arbeidsverleden is het aannemelijk dat dat binnen afzienbare tijd zal lukken. Ten tweede stelt eiser dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast, door te vereisen dat om de status van werknemer te behouden, eiser binnen drie maanden nieuw werk moet hebben gevonden. Vereist is dat eiser beschikbaar is en binnen een redelijk tijdsbestek weer kan deelnemen aan de arbeidsmarkt in Nederland en verweerder had dit moeten toetsen. De enkele verwijzing naar de duur van de werkloosheid is onvoldoende. Dat de arbeidsovereenkomst van eiser is afgelopen, maakt daarnaast volgens eiser nog niet dat verweerder kan concluderen dat er geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid. Het aflopen van het dienstverband vond plaats buiten de wil van eiser om. Daarbij is inschrijving bij het UWV [2] feitelijk onmogelijk, aangezien eiser niet is ingeschreven in de BRP [3] . De bewijslast om vast te stellen of er sprake is van onvrijwillige werkloosheid ligt bij verweerder. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in staat zou zijn in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Eiser benadrukt dat hij geen beroep heeft gedaan op publieke middelen en steeds zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Ook had verweerder moeten motiveren waarom kon worden volstaan met de minimale vertrektermijn. Verweerder had op zijn minst een ruimere vertrektermijn moeten bieden. De belangenafweging is daarnaast onzorgvuldig gemaakt. Gedwongen terugkeer naar Polen is onevenredig zwaar voor eiser, hij verblijft al jarenlang in Nederland en gezien zijn leeftijd is het moeilijk om in Polen een nieuw bestaan op te bouwen. Eiser erkent daarnaast in aanraking te zijn gekomen met handhavers, maar benadrukt dat het nooit zijn intentie is geweest om overlast te veroorzaken. Eiser concludeert dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Een vreemdeling met de nationaliteit van een EU-lidstaat mag zonder verblijfsvergunning langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo mag een vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij werknemer of zelfstandige is of kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk in Nederland heeft. [4]
Werkzoekende met reële kans op werk
8. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat een lidstaat de werkzoekenden een redelijke termijn moet toekennen om hen in staat te stellen werk te vinden. [5] Uit het arrest G.M.A. [6] volgt dat een termijn van zes maanden volgens het Hof redelijk is. Na verloop van deze redelijke termijn is de Unieburger verplicht aan te tonen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld. Om de vraag te beantwoorden of na zes maanden een reële kans op werk bestaat moeten alle relevante gegevens in hun geheel worden geanalyseerd, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de vreemdeling staat ingeschreven als werkzoekende, hij zich regelmatig meldt bij potentiële werkgevers en hun sollicitatiebrieven stuurt en naar sollicitatiegesprekken gaat. Verder moet er rekening worden gehouden met de situatie op de nationale arbeidsmarkt en de persoonlijke kwalificaties van de werkzoekende.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reële kans op arbeid heeft. Niet in geschil is dat eiser sinds december 2022 geen inkomsten uit arbeid meer heeft gehad. Ook is niet in geschil is dat eiser nu niet werkzaam is. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de tussentijd Nederland heeft verlaten. Dit betekent dat de redelijke termijn van zes maanden inmiddels ruimschoots is verstreken, zodat eiser moet aantonen dat hij een reële kans maakt op werk. Eiser heeft geen documenten overgelegd om dit aan te tonen. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser eerder in Nederland werkzaam is geweest, onvoldoende reden is om aan te nemen dat eiser een reële kans op arbeid heeft. Ten aanzien van de stelling van eiser dat tijdelijke onderbrekingen bij uitzendwerk gebruikelijk zijn, overweegt de rechtbank dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom in zijn geval een onderbreking van ruim twee jaar als tijdelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder zich in zijn beoordeling niet enkel heeft beperkt tot de duur van de werkloosheid, de rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
Onvrijwillig werkloos
9. De rechtbank overweegt dat het rechtmatig verblijf van een vreemdeling niet eindigt om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer is. Een Unieburger kan na het einde van zijn werkzaamheden gedurende een bepaalde periode de werknemersstatus behouden indien sprake is van onvrijwillige werkloosheid en als ook aan de overige voorwaarden van artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan, waaronder dat hij als werkzoekende bij het UWV is ingeschreven. [7]
9.1.
Anders dan eiser stelt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat eiser niet onvrijwillig werkloos is. Dit betekent dat artikel 8.12, eerste lid, onder b en c, van het Vb niet op eiser van toepassing is en eiser dus niet uit dien hoofde rechtmatig verblijf behoudt. Uit de door verweerder opgevraagde stukken van het UWV blijkt namelijk dat het laatste dienstverband van eiser is geëindigd vanwege het verstrijken van de duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daardoor is er geen sprake van onvrijwillige werkloosheid, eiser heeft immers zelf ingestemd met een arbeidsovereenkomst met een einddatum. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als eiser wel onvrijwillig werkloos zou zijn, hij alsnog niet aan de vooraarden voldoet omdat hij niet staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Dat eiser niet bij het UWV staat ingeschreven is niet in geschil en dat eiser stelt zich niet bij het UWV te kunnen inschrijven maakt dit niet anders, nu inschrijving wel is vereist.
Voorzien in eigen levensonderhoud
10. Een vreemdeling mag ook langer dan drie maanden in Nederland blijven als hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt. [8]
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser geen inkomsten uit werk of uitkering ontvangt. Het enkele feit dat eiser geen beroep doet op de openbare middelen, maakt niet dat eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Eiser is daarbij van een te beperkte opvatting van dat begrip uitgegaan. Verweerder heeft terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser blikken voor statiegeld verzamelt, waarmee hij naar eigen zeggen alcohol koopt en dat eiser gratis eten en drinken krijgt van de opvang. Daarbij heeft verweerder er ook op gewezen dat uit het feit dat eiser overlast veroorzaakt en uit het feit dat hij vermogensdelicten pleegt, blijkt dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft. Dat eiser stelt geen intentie te hebben om overlast te veroorzaken, is in dit verband niet relevant. Daarnaast heeft eiser ook geen ziektekostenverzekering.
Vertrektermijn
11. In het bestreden besluit is een vertrektermijn van een maand opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een afdoende vertrektermijn aan eiser heeft gegeven. [9] Dit is in overeenstemming met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn [10] . In tegenstelling tot wat eiser stelt, heeft verweerder daarbij in het bestreden besluit wel benoemd dat de vertrektermijn ingaat na de uitreiking van het besluit. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat eiser ook niet heeft geconcretiseerd waarom de vertrektermijn verlengd had moeten worden en waarom hij meer dan een maand nodig heeft om zijn zaken af te ronden en waarom daarvoor zijn aanwezigheid in Nederland is vereist.
Belangenafweging
12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder een belangenafweging moet maken wanneer hij vaststelt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf geniet in Nederland, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden. [11] De rechtbank oordeelt dat verweerder niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft een adequate belangenafweging gemaakt. [12] Verweerder heeft namelijk in zijn belangenafweging betrokken dat eiser niet voldoet aan artikel 8.12, eerste lid, van het Vb, dat eiser de Nederlandse taal niet spreekt, geen gezins- of familieleven in Nederland heeft, geen bewijs heeft overgelegd waaruit een sterke band met Nederland zou blijken, dat eiser overlast veroorzaakt en is betrokken bij vermogensdelicten. Dat eiser graag in Nederland wil werken en geen beroep doet op de openbare kas maakt niet dat verweerder had moeten concluderen dat de belangenafweging in eisers voordeel uitvalt. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn ter zitting uiteengezette standpunt dat de belangenafweging onzorgvuldig gemotiveerd zou zijn, omdat niet per meegewogen belang staat in hoeverre dit in het voordeel of nadeel van eiser weegt. Verweerder heeft namelijk duidelijk uiteengezet welke belangen zijn betrokken en uitgelegd waarom deze belangen van eiser niet opwegen tegen de belangen van verweerder.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit in stand laat.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [13] .
15. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals beschreven in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb ).
2.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
3.Basisregistratie personen
4.Artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb.
5.Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 20 februari 1997, C-344/95, overwegingen 17 en 18.
6.Arrest van het Hof van 17 december 2020, C-710/19.
7.Zie artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
8.Artikel 8.12, eerste lid, onder b, van het Vb.
9.Zie ook de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2050.
10.Richtlijn 2004/38/EG.
11.Zie onder andere de uitspraak van 11 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:412.
12.Zie pagina vijf van het primaire besluit en op pagina’s vier en vijf van het bestreden besluit.
13.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.