ECLI:NL:RBDHA:2025:26810
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen verwijderingsmaatregel EU-werkzoekende zonder rechtmatig verblijf
Eiser, een Poolse staatsburger, verbleef sinds 2016 met onderbrekingen in Nederland en werd door de minister van Asiel en Migratie geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. De minister stelde dat eiser sinds december 2022 geen inkomen had, geen vaste woon- of verblijfplaats, en geen reële kans op werk, mede gelet op strafrechtelijke antecedenten en overlast.
Eiser voerde aan dat hij actief werk zocht, een reële kans op arbeid had en onvrijwillig werkloos was, waarbij hij stelde dat de minister een onjuiste maatstaf hanteerde en onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden. Ook betwistte hij de korte vertrektermijn en de belangenafweging.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reële kans op werk had, mede omdat de redelijke termijn van zes maanden was verstreken zonder bewijs van inschrijving bij het UWV of andere relevante documenten. De rechtbank verwierp het beroep op onvrijwillige werkloosheid omdat het dienstverband eindigde door het verstrijken van de arbeidsovereenkomst en eiser niet was ingeschreven als werkzoekende bij het UWV.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser niet in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien, gelet op het ontbreken van inkomsten, het verzamelen van statiegeldblikjes en het ontvangen van gratis voedsel, en dat de minister een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. De vertrektermijn van een maand werd als passend beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.