ECLI:NL:RVS:2023:2050
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vertrektermijn gemeenschapsonderdaan conform Verblijfsrichtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 14 april 2022 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank een vertrektermijn van minimaal een maand vast. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond is omdat het geen vragen bevat die voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling relevant zijn. Het hoger beroep van de staatssecretaris was gegrond omdat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de formulering 'binnen een maand' niet overeenkomt met de termijn uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn.
De Afdeling verduidelijkte dat volgens de toepasselijke EU-verordening een termijn van een maand ingaat op de dag na de bekendmaking en eindigt aan het einde van de dag met dezelfde datum in de volgende maand. De formulering 'binnen een maand' betekent dat de vreemdeling uiterlijk om 24.00 uur op de laatste dag van die maandtermijn Nederland moet verlaten. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond omdat de vertrektermijn van een maand in het besluit conform de Verblijfsrichtlijn is vastgesteld.