Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.21674
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1F VvArt. 3:46 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijdering SIS-signalering wegens onvoldoende actuele bedreiging afgewezen

Eiser, met Afghaanse nationaliteit, verzocht om opheffing van zijn SIS-signalering die was opgelegd na opheffing van zijn inreisverbod. De signalering was gebaseerd op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege vermeende betrokkenheid bij ernstige misdrijven in Afghanistan tussen 1990 en 1992.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. Het tijdsverloop van ruim 33 jaar en het positieve gedrag van eiser sinds zijn verblijf in Nederland zijn onvoldoende betrokken in de besluitvorming.

Ook het belang van het privé- en familieleven van eiser, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, weegt mee. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de motivering adequaat moet zijn. Tevens worden de proceskosten aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot SIS-signalering wegens onvoldoende gemotiveerde actuele bedreiging en draagt op tot een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21674

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser. Dat beroep richt zich tegen de afwijzing van eisers verzoek om verwijdering van zijn signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
1.1
Eiser heeft op 19 oktober 2023 een verzoek tot opheffing van het inreisverbod ingediend. Verweerder heeft dit inreisverbod bij besluit van 11 oktober 2024 opgeheven, maar een besluit tot signalering in het SIS genomen. Bij het bestreden besluit van 20 maart 2025 is verweerder bij de SIS-signalering gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?2.Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1966. Op 28 augustus 1998 is eiser Nederland binnengekomen. Zijn asielaanvraag van 29 augustus 1998 is vervolgens afgewezen vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Dit besluit staat in rechte vast. Op 19 februari 2014 is aan eiser een inreisverbod opgelegd. Bij besluit van 11 oktober 2024 is het inreisverbod op verzoek van eiser opgeheven. Verweerder heeft in datzelfde besluit aan eiser een signalering in het SIS opgelegd voor de duur van 10 jaar, omdat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt vanwege de toepassing van artikel 1(F) van het Vv. Volgens verweerder kan dit besluit de evenredigheidstoets doorstaan. De signalering is niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn drie kinderen, nu zij niet langer meer samenwonen met eiser. Er is wel sprake van familieleven met zijn echtgenote en dochter [naam]. Ook is sprake van privéleven, maar het zwaarwegende belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde weegt volgens verweerder zwaarder dan het belang van eiser om hier familie- en privéleven uit te kunnen oefenen.

Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte tot signalering in het SIS is overgegaan. nu eiser geen gevaar vormt voor de openbare orde en van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving geen sprake is. Eiser woont al 27 jaar in Nederland, heeft geen strafblad en het vermeende misdrijf heeft ruim 33 jaar geleden plaatsgevonden. Bovendien heeft hij hiervoor spijt betuigd. Hij verwijst naar het arrest K. en H.F. [2] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvjEU) en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over dat arrest. [3] Daarnaast zou verweerder niet tot SIS-signalering mogen overgaan vanwege bijzondere omstandigheden. Eiser heeft het recht om zijn privéleven en familieleven zonder beperking uit te oefenen met zijn Nederlandse gezin op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het juridisch kader
4.
De rechtbank overweegt dat verweerder bij een besluit tot signalering moet beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. [4] Dat artikel 1(F) van het Vv op een vreemdeling van toepassing is, leidt niet automatisch tot het oordeel dat van een dergelijke bedreiging sprake is. [5] Verweerder moet daarbij namelijk onder andere ook het gedrag en de houding van de vreemdeling sinds het plegen van de 1(F)-misdrijven betrekken. Daarbij speelt de vraag of aannemelijk is dat de vreemdeling zijn leven daarna aantoonbaar en duurzaam heeft verbeterd. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt ook dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) is. [6] Vormt eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging?
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijkheid wordt gehouden gepleegd zijn van juni 1990 tot april 1992. Gelet op de aard van de misdrijven (oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid) blijven zij zeer lang actueel, waardoor het sindsdien verstreken tijdsverloop slechts een marginale betekenis kan hebben.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze motivering onvoldoende onderkend dat het tijdsverloop sinds het plegen van de misdrijven stellig een relevant gegeven is om te beoordelen of sprake is van een actuele bedreiging. [7] Uit het arrest K. en H.F. volgt weliswaar dat de eventuele uitzonderlijke ernst van de betrokken handelingen, ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop, het voortbestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan inhouden, maar dan moet verweerder wel nader motiveren waarom hier sprake is van een uitzonderlijke ernst. De enkele toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv is daarvoor onvoldoende.
5.4.
Het enkel benoemen dat de misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden ernstig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het standpunt dat van eiser na 33 jaar nog steeds een actuele dreiging uitgaat. Daarbij neemt de rechtbank, zonder af te doen aan de ernst van de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht, ook in overweging welke rol eiser binnen het systeem vervulde, namelijk een administratieve rol binnen de Democratische Volkspartij van Afghanistan. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 16 december 2020 dat daarbij belang toekomt aan hoe lang de periode is geweest waarin de vreemdeling de misdrijven, waar hij verantwoordelijk voor is gehouden, heeft gepleegd. Verweerder heeft weliswaar de pleegperiode genoemd, maar daarbij niet aangegeven op welke wijze hij dit in zijn besluitvorming heeft betrokken.
5.5.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze het gedrag en de houding van eiser gedurende zijn verblijf in Nederland nog steeds zouden leiden tot een actuele bedreiging. Uit het arrest K. en H.F. volgt weliswaar dat verweerder de artikel 1(F)-vaststelling als uitgangspunt kan nemen, omdat bij de beoordeling of eiser nog een actuele bedreiging vormt zeer zwaar gewicht toekomt aan het gegeven dat eiser ook internationaal gezien de meest ernstige misdaden heeft gepleegd. Maar uit punt 66 van het arrest volgt ook dat verweerder in aanmerking moet nemen hoeveel tijd is verstreken sinds het vermoedelijk plegen van de misdrijven en hoe eiser zich nadien heeft gedragen, met name om op grond van dit gedrag te kunnen beoordelen of eiser nog steeds een houding aanneemt die de fundamentele belangen van de samenleving aantast en daardoor de gemoedsrust en de veiligheid van de samenleving kan verstoren. Verweerder heeft niet ten onrechte meegewogen dat eiser zich in de spijtbrief weliswaar verontschuldigt voor de misdrijven die door de KhaD/WAD zijn gepleegd, maar eiser hiermee niet specifiek zijn eigen rol erkent. Aan de andere kant heeft eiser tijdens de hoorzitting verklaard dat hij deel uitmaakte van het systeem in Afghanistan, hij het systeem veroordeelt en hij vreselijke spijt heeft. [8] Tevens heeft eiser aangegeven dat hij in Afghanistan als boekhouder heeft gewerkt en hij sindsdien veel heeft geleerd van zijn leven en in positieve zin is veranderd. Dit zijn uitspraken die verweerder niet kenbaar heeft betrokken in zijn beoordeling. Anders dan verweerder meent, kan, gelet op deze verklaringen, niet evident de conclusie worden getrokken dat eiser nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 VEU bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking (de openbare orde) zouden kunnen worden verstoord.
5.6.
Daarnaast heeft verweerder geen enkele waarde toegekend aan het gedrag van eiser na het plegen van de misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden. Eiser heeft onbetwist gesteld dat hij zich sinds zijn aankomst in Nederland in 1998 tot op heden keurig heeft gedragen en zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Verweerder heeft dit ten onrechte niet kenbaar betrokken bij de vraag of eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormt.
5.7.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar het tijdsverloop sinds het vermeende plegen van de misdrijven en het gedrag van eiser na het plegen van de misdrijf bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormt. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom eiser nog steeds een gevaar voor de openbare orde vormt.
6. Gelet op het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog steeds een gevaar voor de openbare orde vormt, kan de motivering van verweerder over artikel 8 van Pro het EVRM ook geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Bagheri, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie 2 mei 2018, in de zaken K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2759
4.Zoals bedoeld in het arrest Z.Zh en I.O., van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377.
5.Dat volgt uit het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296
6.Uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017.
7.Punt 58 van het arrest K. en H.F.
8.Pagina 5 van het verslag van de ambtelijke hoorzitting.