ECLI:NL:RBDHA:2025:26974

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.17926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid afvalligheid, homoseksualiteit en familieproblemen

Eiser, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege afvalligheid, verwestering, homoseksualiteit en problemen met zijn invloedrijke vader. De minister wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid van deze motieven, mede door het ontbreken van objectieve bewijsstukken en tegenstrijdigheden in de verklaringen.

De rechtbank bevestigt dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de asielmotieven heeft beoordeeld aan de hand van de geldende werkinstructies, ondanks de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank oordeelt dat de minister de verklaringen van eiser terecht als oppervlakkig en ongerijmd heeft beoordeeld, en dat de angst voor vervolging niet aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Iran risico loopt op vervolging of andere ernstige problemen. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de motieven.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17926
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.G.M. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S.M. Razaghi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. Hij heeft aan zijn asielaanvraag onder andere ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met zijn vader, die een invloedrijke [functie] is en lid is van de [beweging] . Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij Iran heeft verlaten vanwege verwestering, dienstplichtontduiking, afvalligheid en homoseksualiteit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, uw nationaliteit en herkomst;
2. Dienstplichtontduiking;
3. Afvalligheid;
4. Verwestering;
5. Homoseksualiteit en daaruit voortvloeiende problemen;
6. Problemen met de vader.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De andere asielmotieven zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van de asielmotieven en ook met zijn verklaringen heeft hij de asielmotieven niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in dienst zou moeten en bekend staat als dienstplichtontduiker, omdat hij vrijgesteld is van de dienstplicht. De door eiser gestelde afvalligheid is volgens de minister niet geloofwaardig omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de verandering in zijn geloof was en omdat hij oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens en denkproces. Dat eiser verwesterd is vindt de minister niet geloofwaardig omdat hij oppervlakkig heeft verklaard over zijn westerse uitlatingen en tegenstrijdig over zijn ontslag van de universiteit. Volgens de minister is de homoseksualiteit niet geloofwaardig, omdat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn ontwikkeling en niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij wist dat hij homoseksueel was. Daarnaast heeft hij wisselend verklaard over of zijn homoseksualiteit een reden was voor zijn vertrek en over wie op de hoogte waren van zijn gerichtheid. Eiser heeft ook algemeen en ongerijmd verklaard over zijn relaties met [persoon1] en [persoon2] , vaag over het ontstaan van de relaties en oppervlakkig over de leuke en minder leuke kanten van zijn relaties. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Iran problemen zal ondervinden vanwege zijn gerichtheid. Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat eisers problemen met zijn vader niet geloofwaardig zijn. Volgens de minister heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt dat zijn vader invloedrijk is, de bedreigingen niet concreet gemaakt en heeft eiser slechts een vermoeden dat zijn vader aangifte heeft gedaan. Daarnaast heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn ontsnappingen en tegenstrijdig over zijn ontslag van de universiteit. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is en legt eiser een terugkeerbesluit op.
5. Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend met betrekking tot de dienstplichtontduiking. Dit asielmotief en de beoordeling van de minister ten aanzien daarvan behoeft daarom geen nadere bespreking.
Toepassing van Werkinstructie 2024/6
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van de geloofwaardigheidsbeoordeling uit Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6). De minister heeft de beslistermijn ruim overschreden, dit is een bijzondere omstandigheid op basis waarvan de minister de aanvraag had moeten beoordelen op basis van het oude beleid. Eiser verwijst in dat kader op naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17345 en naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 3 januari 2025, NL24.42815. Daarnaast stelt eiser dat het beleid uit WI 2024/6 niet juridisch houdbaar.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen. Dat de minister niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van het uitgangspunt. Het niet tijdig beslissen brengt geen verplichting mee voor de minister om ouder, naar gesteld gunstiger, beleid toe te passen of om overgangsrecht te creëren.
6.2.
Ten aanzien van de juridische houdbaarheid van WI 2024/6 stelt de rechtbank voorop dat zij hier op 10 juni 2025 uitspraak over heeft gedaan, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit in onderhavige zaak niet het geval is. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven conform de werkinstructie betrokken of er objectieve documenten waren die het motief konden onderbouwen. Bij de beoordeling heeft de minister echter de nadruk gelegd op de samenhang en aannemelijkheid van eisers verklaringen. De minister heeft daarmee geen onjuiste toepassing gegeven aan het Unierecht.
Afvalligheid en verwestering
7. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij afvallig is. Volgens eiser heeft de minister miskend dat hij voldoet aan de definitie van afvalligheid, zoals opgenomen in de Werkinstructie 2022/3. Hij heeft zich namelijk afgewend van het geloof waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Eiser stelt dat er voldoende motieven zijn om zich afgewend te hebben van de islam. Hij had al een afkeer jegens de islam, die naarmate hij er meer informatie over verzamelde is toegenomen en de minister moet ook zijn afvallige uitingen meewegen. Eiser verkocht westerse cd’s, gebruikte alcohol en had een westerse kledingstijl en haardracht.
7.1.
Afvalligheid betekent dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. De geloofwaardigheid van
de afvalligheid moet worden beoordeeld aan de hand van de verklaringen over 'de motieven voor en het proces van', 'kennis van' en 'activiteiten rond’ de afvalligheid. Daarnaast wordt er ook gekeken naar hoe de vreemdeling zich in de toekomst als afvallige wil uiten, daarbij is ook van belang hoe de vreemdeling zich in Nederland uit.1
7.2.
Gelet op voorgaande definitie kan de minister niet stellen dat het asielmotief afvalligheid niet geloofwaardig is, omdat er geen sprake zou zijn van een wijziging van innerlijk geloof. De minister heeft echter ook, niet ten onrechte, tegengeworpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de verandering in zijn geloof was, dat eiser algemeen en oppervlakkig over zijn gevoelens heeft verklaard en dat hij zijn houding jegens de islam nooit openlijk heeft geuit. In het verweerschrift wordt daarnaast opgemerkt dat eiser heeft verklaard zich sinds zijn aankomst in Nederland niet anders te hebben geuit. Het is ook niet gebleken dat eiser eerder, bijvoorbeeld door een verwesterd uiterlijk en de verkoop van westerse cd’s, als afvallige is aangemerkt en daardoor in de problemen is gekomen met de autoriteiten. Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser oppervlakkig verklaard heeft over zijn westerse uitlatingen en tegenstrijdig verklaard heeft ten aanzien van zijn ontslag bij de universiteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het asielmotief dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden.
Homoseksualiteit
8. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte niet aangenomen dat hij homoseksueel is. Hij voert aan dat de minister niet mag tegenwerpen dat hij dit asielmotief niet in het aanmeldgehoor heeft aangevoerd en dat hij het in het begin van het nader gehoor lastig vond om er over te verklaren. Daarnaast stelt eiser dat hij niet wisselend heeft verklaard over wie op de hoogte waren van zijn gerichtheid en dat de minister zijn relaties met [persoon3] , [persoon1] , [persoon4] , [persoon5] en met [persoon2] (“ [persoon2] ”) ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Eiser is verder bang dat de autoriteiten beelden op zijn computer hebben bekeken, waaruit zijn gerichtheid zou blijken.
8.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft in dat kader kunnen betrekken dat eiser dit niet eerder heeft aangevoerd. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor namelijk verklaard dat de gestelde problemen met zijn vader de reden waren voor zijn vertrek. Daarna heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat zijn homoseksualiteit geen reden was om Iran te verlaten. Pas op een later moment heeft eiser verklaard dat zijn homoseksualiteit 100% de reden was om Iran te verlaten. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat deze verklaringen ongerijmd zijn en afdoen aan de geloofwaardigheid. Daarnaast heeft eiser oppervlakkig verklaard over de ontwikkeling die hij heeft meegemaakt en heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe hij wist dat hij homoseksueel was. Eiser heeft daar ook wisselend over verklaard. Zo heeft eiser in de zienswijze verklaard dat hij vanaf zijn 11e fantasieën had over jongens en vanaf die leeftijd seksuele ervaringen met jongens had. Deze verklaring wijkt af van de eerdere verklaring dat hij vanaf zijn 14e of 15e erachter kwam dat hij homoseksueel was. De minister stelt ook niet ten onrechte dat eiser algemeen en ongerijmd heeft verklaard over zijn relaties. Zo zijn de verklaringen over hoe de relaties met [persoon1] en [persoon3] zijn ontstaan vaag en zijn de verklaringen over de relaties met [persoon1] en [persoon2] ongerijmd. Hij heeft immers verklaard dat hij in de metro met [persoon1] heeft gezoend, terwijl hij ook heeft verklaard in het openbaar juist
1. Dit volgt uit ECLI:NL:RVS:2022:94 en WI 2022/3 Bekering en afvalligheid
voorzichtig te zijn. Dat eiser minder geremd was doordat hij alcohol had gedronken en een joint had gerookt neemt niet weg dat het ongerijmd is. Het is ook ongerijmd dat eiser heeft nagelaten om [persoon2] te noemen bij zijn relaties, terwijl het zijn laatste relatie zou zijn geweest. Eisers angst dat de autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn homoseksuele gerichtheid en dat hij daardoor problemen zal ondervinden, heeft de minister niet ten onrechte niet gevolgd. De angst is immers enkel gebaseerd op het vermoeden dat de autoriteiten de beelden op zijn in beslag genomen computer hebben bekeken. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met vader
9. Eiser heeft in het kader van de problemen met zijn vader gewezen op zijn verklaringen en wat in de zienswijze daarover is toegelicht. Eiser heeft daarin onder andere gesteld dat zijn vader, vanwege zijn positie bij de [beweging] , de mogelijkheid heeft om eiser te raken, dat hij zijn naam wil zuiveren door eiser te vinden en te bestraffen, dat hij zich gewelddadig heeft geuit tegenover eiser en dat hij al 16 mensen heeft gedood, dus ook in staat is om zoiets te doen.
9.1.
De minister heeft deze stellingen van eiser niet hoeven volgen en heeft in het bestreden besluit niet ten onrechte gesteld dat eiser onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe zijn vader vanwege zijn positie de mogelijkheid heeft om hem te raken. Daarnaast heeft eiser de gewelddadige uitingen niet concreet gemaakt en heeft hij niet onderbouwd dat zijn vader gewelddadig is en 16 mensen heeft gedood. Dat eisers vader hem daadwerkelijk iets wil aandoen of wil bestraffen om zijn naam te zuiveren is ook niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft daar geen bewijs van geleverd en het is ook niet duidelijk hoe hij weet dat zijn vader dit wil doen en wat de beweegredenen hiervoor zouden zijn. Eiser heeft gesteld dat hij van zijn moeder heeft gehoord dat zijn vader een aangifte tegen hem heeft ingediend, maar dat is van horen zeggen en daarom slechts een vermoeden. De minister heeft ook niet ten onrechte gesteld dat eisers verklaringen over de ontsnappingen afdoen aan de geloofwaardigheid van het motief. Eiser heeft verklaard dat hij twee keer door zijn vader is mishandeld waarna hij is ontsnapt. De minister heeft het ongerijmd mogen vinden dat eiser een tweede keer heeft kunnen ontsnappen, terwijl er drie andere mannen aanwezig waren en hij al eerder een keer was ontsnapt. Gelet hierop heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ook eisers problemen met zijn vader niet geloofwaardig zijn.
Terugkeer naar Iran
10. Tot slot heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij bij terugkeer naar Iran in de problemen zal komen bij een controle van de veiligheidsdiensten. Hij is al langere tijd weg uit Iran, zal moeten reizen met een laissez-passer en zal worden uitgezet uit een westers land. Als de autoriteiten erachter komen dat hij asiel heeft aangevraagd loopt hij meer risico.
10.1.
De minister heeft de afvalligheid, verwestering, homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen en de problemen met de vader niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. Het is verder ook niet gebleken dat eiser in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten. De minister stelt niet ten onrechte dat de door eiser in beroep overgelegde stukken dit niet anders maken nu niet duidelijk is of deze echt zijn en wat ze betekenen. Daarnaast maakt een oproep om in Iran te verschijnen in verband met een aangifte voor internetfraude niet dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Uit het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 blijkt ook niet dat eiser alleen al een
risico loopt omdat hij lagere tijd weg is uit Iran en met een laissez-passer vanuit een westers land zal inreizen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag niet ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.