ECLI:NL:RBDHA:2025:27166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/8065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, categorie II sub 7, Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting horeca-inrichting na geweldsincidenten

Verzoeker exploiteert een café dat na meerdere ernstige geweldsincidenten, waaronder brandstichting en pogingen tot explosie, door de burgemeester voor drie maanden is gesloten. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze sluiting en verzocht om een voorlopige voorziening om de sluiting op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting en dat gezien de ernst, omvang en herhaling van de incidenten de verlenging van de sluiting noodzakelijk is. Hoewel de verdachte van een poging tot explosie is aangehouden, blijft het risico op herhaling aanwezig omdat het onderzoek nog loopt en de verdachte zwijgt.

Verzoekers argumenten dat het gevaar is geweken, dat de sluiting disproportioneel is vanwege de feestdagen en dat alternatieve maatregelen niet zijn onderzocht, worden verworpen. De voorzieningenrechter benadrukt dat de belangen van de openbare orde en veiligheid zwaarder wegen dan de financiële belangen van verzoeker.

De sluiting wordt als evenwichtig en niet disproportioneel beoordeeld, mede omdat de periode samenhangt met het moment van het laatste incident. Verzoeker wordt aangemoedigd zelf initiatieven te nemen voor beveiligingsmaatregelen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht tot 17 januari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het café wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht tot 17 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8065

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [bedrijf] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),
en

de burgemeester van Den Haag, de burgemeester

(gemachtigden: mrs. E.P. Alonso en R. den Ouden).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van verzoekers horeca-inrichting. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar van verzoeker tegen de sluiting van zijn horeca-inrichting heeft geen redelijke kans van slagen en de sluiting is niet onevenwichtig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 heeft de burgemeester de horeca-inrichting van verzoeker [horecagelegenheid] aan de [adres] in Den Haag voor de duur van drie maanden gesloten voor bezoekers. De sluiting eindigt op 17 januari 2026 om 12:30 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vrijstelling van het griffierecht
3.1.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter kort voor aanvang van de zitting verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. Verzoeker heeft dit verzoek toegelicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Waar gaat deze zaak over?
4.1.
Verzoeker exploiteert café [horecagelegenheid] . Op 28 april 2025, omstreeks 03.23 uur, is er brand gesticht bij het café. De brandweer heeft de brand geblust. Nabij het café werden twee kapotte flessen met wasbenzine aangetroffen. Op 25 mei 2025, omstreeks 02.25 uur, heeft de politie een melding ontvangen over overlast in en voor het café. Toen de politie ter plaatse kwam, heeft verzoeker een aanbouw aan zijn café horeca-inrichting laten zien en verklaard dat bezoekers daar voetbal aan het kijken waren en aan het gokken. Op 29 juli 2025, omstreeks 18.00 uur, heeft verzoeker de politie gebeld omdat een bezoeker andere bezoekers in het café bespuugde en bedreigde. Op 6 september 2025 heeft de politie een anonieme melding ontvangen dat er elke middag op het terras van het café in drugs wordt gehandeld. Op 8 oktober 2025 heeft de politie informatie ontvangen dat er in de nacht van
5 op 6 oktober 2025 bij het café een poging tot brandstichting heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij hier niets van wist, maar dat er in de nacht van 3 op 4 oktober wel een dronken persoon vuurwerk tegen de toegangsdeur van het café heeft gegooid en daarna is weggestuurd. Diverse andere ondernemers hebben echter verklaard dat er een explosie heeft plaats gevonden, maar dat verzoeker dat niet heeft gemeld. Op 15 oktober 2025, omstreeks 22.22 uur, heeft verzoeker de politie gebeld, omdat een man, nadat hij om een glas water vroeg, bezoekers in het café met een mes bedreigde.
4.2.
Op 17 oktober 2025, omstreeks 03.05 uur, heeft de politie een melding ontvangen van een poging tot brandstichting/poging plaatsen explosieven bij het café. Volgens de melding zouden meerdere personen op straat aan het schreeuwen zijn en zou er ook gevochten zijn. Ter plaatse bleek dat een omstander een jongen had weten vast te pakken die kort daarvoor een explosief voor het café zou hebben willen neerleggen. De politie heeft deze jongen aangehouden op verdenking van poging tot brandstichting/poging plaatsen explosieven. Op straat werd een tas aangetroffen met daarin drie flessen met brandbare vloeistof en zes stuks zwaar vuurwerk (Cobra’s). De explosievenexpert van de politie herkende deze combinatie als een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), strafbaar gesteld in artikel 2, eerste lid, categorie II sub 7, van de Wet wapens en munitie.
4.3.
Naar aanleiding van dit laatste incident is het café met spoed gesloten voor de duur van twee weken.
4.4.
Omdat er sprake is van meerdere doelgerichte acties en geplande aanslagen op verzoekers café en er een reëel risico op herhaling bestaat heeft de burgemeester het noodzakelijk geacht om over te gaan tot sluiting van het café voor de duur van drie maanden voor bezoekers. Daarbij heeft de burgemeester rekening gehouden met de periode van de spoedsluiting. Met de tijdelijke sluiting wil verweerder de verstoring van de openbare orde beëindigen, de kans op herhaling verkleinen, de rust in de directe omgeving van de horeca-inrichting laten terugkeren en een signaal afgeven dat de het geweldsincident onacceptabel is.
Wat vindt verzoeker?
5.1.
Verzoeker is het niet eens met de sluiting. Hij voert – kort samengevat – het volgende aan. De verdachte is aangehouden en zit in voorlopige hechtenis. Daarmee is het directe en acute gevaar voor herhaling in belangrijke mate geweken. Er is geen indicatie dat er dreiging uitgaat van andere personen. Verzoeker verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 [1] , waarin is overwogen dat voor de noodzaak van een sluiting relevant is of er een actueel concreet gevaar bestaat voor een nieuwe ordeverstoring.
4.2.
Er is geen noodzaak voor een sluiting van drie maanden. De burgemeester heeft niet onderzocht of na de periode van twee weken de openbare orde inmiddels voldoende was hersteld. Ook heeft de burgemeester niet onderzocht of een voortzetting van de sluiting überhaupt nog noodzakelijk is. Het algemene doel om “een signaal af te geven” rechtvaardigt geen dermate vergaande sluiting. Zeker niet nu verzoeker geen verwijt treft ten aanzien van de gepleegde feiten en het acute gevaar is geweken.
4.3.
De sluiting van drie maanden is niet evenwichtig. De feestdagenperiode valt binnen de door de burgemeester gekozen sluitingsduur. Dit maakt de sluiting disproportioneel zwaarder dan vergelijkbare sluitingen die buiten de feestdagenperiode vallen. Verzoeker wordt hierdoor in feite zwaarder gestraft dan exploitanten in vergelijkbare gevallen. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
4.4.
De burgemeester heeft niet onderzocht of met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan. De burgemeester moet bereid zijn om in overleg te treden met de ondernemer over alternatieve maatregelen. Verzoeker beroept zich hierbij op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 (lees: 3) november 2023 [2] . Er is niet onderzocht of een langere sluiting dan de spoedsluiting van twee weken nodig is, of dat met een kortere sluiting kan worden volstaan. Er zijn geen alternatieve maatregelen onderzocht, zoals extra cameratoezicht of beveiliging. Verzoeker is bereid om in overleg te treden over dergelijke maatregelen.
4.5.
Door reeds voor het einde van de spoedsluiting kenbaar te maken dat de burgemeester voornemens was om de horeca-inrichting langer te sluiten, is onzorgvuldig gehandeld en is niet onderzocht in hoeverre een langere sluiting nodig is.
4.6.
Verzoeker treft geen enkel verwijt en is slachtoffer van crimineel handelen van derden. Daarom moet bij de belangenafweging een zwaarder gewicht worden toegekend aan zijn belangen. De burgemeester heeft echter geen enkele afweging gemaakt tussen het belang van de openbare orde en de persoonlijke en financiële belangen van verzoeker.
4.7.
Sluiting voor de duur van drie maanden werkt contraproductief, aangezien hiermee de daders krijgen wat ze willen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is verweerder bevoegd de horeca-inrichting te sluiten?
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd is om het café te sluiten.
5.2.
De vraag is of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken het café aansluitend op de spoedsluiting voor drie maanden te sluiten. Daarbij is het de vraag of deze verlengde sluiting noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de sluiting noodzakelijk?
5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op de aard, de omvang en ernst van de geweldsincidenten de noodzaak daartoe gegeven. Dit soort incidenten heeft een grote invloed op het veiligheidsgevoel van omwonenden en vormen een grove aantasting van de rechtsorde. De geweldsincidenten staan ook niet op zichzelf, maar hebben plaatsgevonden in een periode van een half jaar waarbij de laatste twee incidenten elkaar binnen twee weken hebben opgevolgd. Hoewel er sinds de spoedsluiting op 17 oktober 2025 geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden, geven de geweldsincidenten die zich in een half jaar tijd hebben voorgedaan (brandstichting/poging tot brandstichting/poging tot explosie) aanleiding voor een verlenging van de sluiting. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat boven het café woningen zijn gelegen. Anders dan verzoeker stelt, neemt het feit dat de verdachte van de poging tot een explosie is aangehouden de noodzaak van de verlengde sluiting niet weg. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht. De verdachte had een grote hoeveelheid cobra’s en brandbare vloeistof bij zich. De gevaarzetting was groot. Dat de verdachte nog steeds vast zit zegt iets over de verdenking en ernst van het geweldsincident. Nu de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht, is dan ook niet duidelijk wie het op het café heeft gemunt en of met de aanhouding en de voorlopige hechtenis van de verdachte het risico op herhaling is geweken. De politie is nog actief bezig met het onderzoek en acht het risico op herhaling nog aanwezig. Hoewel de burgemeester het gegeven dat in de illegale aanbouw van het café illegaal wordt gegokt niet aan de verlenging van de sluiting ten grondslag heeft gelegd, kan ook niet worden uitgesloten dat de illegale gokhal een rol speelt bij de geweldsincidenten die tegen het café zijn gericht. Verzoeker heeft op de zitting overigens niets gezegd over het illegale gokken in zijn café. Ook heeft hij niet gezegd dat hij er voor zal zorgen dat illegaal gokken in zijn café niet meer zal voorkomen.
5.4.
De voorzieningenrechter maakt bij het voorgaande wel een de kanttekening dat de noodzaak tot het laten voortduren van de sluiting afneemt naarmate de sluiting voortduurt. De voorzieningenrechter vertrouwt er echter op dat de burgemeester een vinger aan de pols houdt en de sluiting zal opheffen zodra het risico op herhaling niet langer actueel is.
5.5.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het feit dat naar aanleiding van meerdere incidenten in de wijk tijdelijk toezichtcamera’s zijn opgehangen, niet maakt dat er met een minder vergaande maatregel dan een tijdelijke sluiting kan worden volstaan. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat dit niet voldoende is. De voorzieningenrechter heeft geen reden hieraan te twijfelen.
5.6.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat hij bereid is om in overleg te treden over concrete beveiligingsmaatregelen en deze ook daadwerkelijk te implementeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, anders dan hij kennelijk op basis van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2025 [3] meent, zelf het initiatief moet nemen. Op de zitting is gebleken dat verzoeker nog geen stappen heeft ondernomen om daadwerkelijk veiligheidsmaatregelen te treffen. Dat verzoeker rolluiken heeft laten plaatsen, doet daar niet aan af. Die rolluiken heeft verzoeker al laten plaatsen na de brandstichting in april 2025 en daarna hebben zich nog twee geweldsincidenten voorgedaan. De burgemeester heeft op de zitting herhaald dat hij altijd bereid is om met verzoeker te overleggen over eventuele beveiligingsmaatregelen.
Is de sluiting evenwichtig?
6.1.
Duidelijk is dat de sluiting voor verzoeker grote financiële gevolgen heeft. De sluiting staat echter wel in verhouding tot het daarmee te dienen doel van de sluiting. Gelet op het risico op herhaling, de ernst van de incidenten en de gevaarzetting ten aanzien van de omwonenden, bezoekers en passanten van het café, en natuurlijk verzoeker zelf en zijn werknemers, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester het algemeen belang van het beschermen van de openbare orde en veiligheid en van het leefklimaat zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van verzoeker bij het exploiteren van zijn café. Het betoog van verzoeker dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, maakt niet dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
6.2.
Het betoog dat hij zwaarder wordt gestraft dan exploitanten in andere gevallen, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter begrijpt dat de verlengde sluiting van zijn café voor verzoeker voelt alsof hij wordt gestraft en dat de personen die de geweldsincidenten hebben gepleegd zo hun zin krijgen. De sluiting van het café heeft echter tot doel de verstoring van de openbare orde te beëindigen, de kans op herhaling te verkleinen en de rust in de directe omgeving van de horeca-inrichting te laten terugkeren en een signaal af te geven dat de geweldsincidenten onacceptabel zijn, en is er dan ook niet op gericht om leed toe te voegen. Hoewel het voor verzoeker vervelend is dat hij tijdens decembermaand gesloten moet zijn, is het daarnaast niet zo dat verzoeker anders wordt behandeld. De periode waarin het café is gesloten, is tenslotte niet gekozen door de burgemeester, maar heeft te maken met het moment waarop het laatste geweldsincident heeft plaatsgevonden. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is de voorzieningenrechter niet gebleken.
6.3.
Verder is de duur van de sluiting van in totaal drie maanden in overeenstemming met het beleid [4] en naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig lang.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat café [horecagelegenheid] vooralsnog gesloten moet blijven tot 17 januari 2026, 12:30 uur. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

4.Handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers