Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats], eiser(gemachtigde: [naam 1])
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigden: [naam 2] en [naam 3]).
Procesverloop
15 december 2023 heeft het college aan eiser een conceptbesluit voor een bestuurlijke boete verstuurd. Eiser heeft hiertegen geen zienswijze ingediend. Vervolgens heeft het college op 3 januari 2024 een bestuurlijke boete van € 8000,- opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd door het college ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Toetsingskader
Beoordeling door de rechtbank
una via-beginsel genoemd. [3] De jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (het verbod op dubbele bestraffing binnen het strafrecht of
ne bis in idem) is van overeenkomstige toepassing op de uitleg van artikel 5:44 van Pro de Awb. [4] Bij het verwijt van overtreding van meerdere voorschriften dient te worden gekeken naar het verschil tussen beide procedures in a) de juridische aard van de feiten, waaronder de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken en b) de gedragingen van de verdachte. Een aanzienlijk verschil tussen beide betekent dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (of van ‘dezelfde gedraging’ in de zin van artikel 5:44 van Pro de Awb) en dat beide procedures doorgang mogen vinden. [5] In deze zaak is het de vraag of er bij de bestuurlijke boete aan de ene kant en het vonnis aan de andere kant een aanzienlijk verschil was in de juridische aard van de feiten en de gedragingen van eiser. Alleen als er een dergelijk verschil was - en het dus niet ging om dezelfde gedraging - mocht het college overgaan tot oplegging van de bestuurlijke boete.
una via-beginsel niet op.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre voor het bestreden besluit in de plaats treedt;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.