Eisers zijn eigenaren van een woning in Den Haag waar zij in strijd met een verleende omgevingsvergunning bouwactiviteiten uitvoerden. Het college legde hen op 17 oktober 2022 een last onder dwangsom op met een begunstigingstermijn van zes weken, die meerdere malen werd verlengd. Na het laatste verzoek tot verlenging op 26 februari 2024 wees het college dit af, waarna de dwangsom op 1 maart 2024 van rechtswege verbeurd was.
Eisers maakten bezwaar en stelden dat de termijn te kort was om aan de last te voldoen, onder meer vanwege de moeilijkheid een aannemer te vinden en onduidelijkheid over de vereiste werkzaamheden. De rechtbank oordeelt dat het college binnen zijn beoordelingsvrijheid heeft gehandeld en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het onmogelijk was binnen de termijn aan de last te voldoen. De keuze van eisers om eerst de verkopende partij aansprakelijk te stellen heeft de uitvoering vertraagd.
De rechtbank bevestigt dat het college de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer hoeft te maken dan noodzakelijk en dat de belangenafweging bij het opleggen van de last niet opnieuw hoeft te worden gemaakt bij een verlengingsverzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.