ECLI:NL:RBDHA:2025:27192
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid tussen referent en familie
Eiser, houder van een verblijfsvergunning asiel, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn ouders en broer, die in Afghanistan verblijven en ondergedoken zitten vanwege de Taliban. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake was van familie- en gezinsleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank toetste de motivering van de minister en concludeerde dat de minister terecht oordeelde dat er geen voldoende financiële, materiële, emotionele of medische afhankelijkheid bestond tussen eiser en zijn familie. Samenwoning in Afghanistan werd erkend als indicatie, maar onvoldoende om de aanvraag te honoreren.
Eiser voerde aan dat hij zijn familie financieel ondersteunt, dat hij emotioneel sterk afhankelijk is en dat de minister een te strenge maatstaf hanteerde. De rechtbank volgde dit niet, mede omdat de financiële steun op afstand kan plaatsvinden en de emotionele zorgen niet leiden tot een afhankelijkheidsrelatie die het gezinsleven overstijgt.
De banden van de familie met Afghanistan en het bestaan van een sociaal netwerk aldaar werden door de minister en rechtbank betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat de minister de afwijzing deugdelijk heeft gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.