Uitspraak
2.ECLI:NL:RVS:2018:1423.
3.ECLI:NL:RVS:2018:2097.
- het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 12 oktober 2024 een asielaanvraag in, die hij op 5 november 2024 introk. Op 11 juni 2025 vroeg hij een verblijfsdocument EU/EER aan. De minister nam op 17 oktober 2025 een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening om eiser over te dragen aan Duitsland. Eiser stelde dat hij vanaf 7 juni 2025 rechtmatig verblijf had en dat het besluit onrechtmatig was. Op 29 oktober 2025 trok de minister het overdrachtsbesluit in en verstrekte het verblijfsdocument.
De rechtbank behandelde het beroep op 4 november 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De minister werd vertegenwoordigd. De rechtbank oordeelde dat door de intrekking van het overdrachtsbesluit het beroep niet-ontvankelijk was, omdat het procesbelang was komen te vervallen. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank stelde vast dat het verblijfsrecht op basis van de EU-richtlijn een declaratoir karakter heeft en dat eiser vanaf 11 juni 2025 rechtmatig in Nederland verbleef. Het overdrachtsbesluit was daarom onrechtmatig genomen. Gezien deze onrechtmatigheid veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van €907, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907 vanwege onrechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.