ECLI:NL:RBDHA:2025:27233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.50729
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 26 DublinverordeningArt. 12 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid overdrachtsbesluit en proceskostenvergoeding bij verblijfsdocument EU/EER

Eiser diende op 12 oktober 2024 een asielaanvraag in, die hij op 5 november 2024 introk. Op 11 juni 2025 vroeg hij een verblijfsdocument EU/EER aan. De minister nam op 17 oktober 2025 een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening om eiser over te dragen aan Duitsland. Eiser stelde dat hij vanaf 7 juni 2025 rechtmatig verblijf had en dat het besluit onrechtmatig was. Op 29 oktober 2025 trok de minister het overdrachtsbesluit in en verstrekte het verblijfsdocument.

De rechtbank behandelde het beroep op 4 november 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De minister werd vertegenwoordigd. De rechtbank oordeelde dat door de intrekking van het overdrachtsbesluit het beroep niet-ontvankelijk was, omdat het procesbelang was komen te vervallen. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank stelde vast dat het verblijfsrecht op basis van de EU-richtlijn een declaratoir karakter heeft en dat eiser vanaf 11 juni 2025 rechtmatig in Nederland verbleef. Het overdrachtsbesluit was daarom onrechtmatig genomen. Gezien deze onrechtmatigheid veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van €907, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907 vanwege onrechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50729
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: I. Vugs).
Procesverloop
Op 12 oktober 2024 heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 5 november 2024 heeft eiser de asielaanvraag ingetrokken.
Op 11 juni 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.1
Op 17 oktober 2025 heeft de minister een overdrachtsbesluit genomen (het bestreden besluit), waarbij de minister eiser ervan in kennis heeft gesteld dat hij op grond van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening aan de autoriteiten van Duitsland zal worden overgedragen.
Eiser heeft op 17 oktober 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 29 oktober 2025 heeft de minister eiser bericht dat hij een verblijfsdocument EU/EER aan eiser zal verstrekken. Hierna heeft de minister het overdrachtsbesluit van 17 oktober 2025 ingetrokken.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1. Zoals bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Overwegingen
Het beroep
De minister heeft het bestreden besluit op 29 oktober 2025 ingetrokken, omdat aan eiser een verblijfsdocument EU/EER is verstrekt. Door deze intrekking heeft eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De vraag of de minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2018.2 Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling.
Proceskostenveroordeling
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Eiser verzoekt de rechtbank om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Hij voert daartoe onder meer aan dat de minister het overdrachtsbesluit onrechtmatig heeft genomen, omdat eiser op 17 oktober 2025 rechtmatig verblijf in Nederland had. Het verblijfsrecht op basis van richtlijn 2024/38 heeft een declaratoir karakter en ontstaat op het moment dat er aan alle voorwaarden is voldaan. Eiser stelt dat hij hierdoor op 7 juni 2025 rechtmatig verblijf had en dat de minister hiervan op de hoogte was, en dat de minister daarom het overdrachtsbesluit onrechtmatig heeft genomen.
5. De minister stelt dat dat in deze procedure geen aanleiding bestaat om hem te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De intrekking van het overdrachtsbesluit op 29 oktober 2025 was naar aanleiding van veranderende omstandigheden en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling. De minister stelt dat het overdrachtsbesluit van 17 oktober 2025 terecht is genomen omdat eiser vanaf het moment van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER slechts procedureel verblijfsrecht had, en dat procedureel verblijfsrecht niet in de weg staat van het nemen van een overdrachtsbesluit. Uit artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening volgt namelijk dat een lidstaat, die een geldige verblijfstitel heeft afgegeven aan een vreemdeling, verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Echter valt volgens artikel 2, aanhef en onder l, van de Dublinverordening procedureel verblijfsrecht niet onder het begrip ‘verblijfstitel’ zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. Doordat eiser enkel procedureel verblijfrecht had gekregen, kan er niet worden geconcludeerd dat het overdrachtsbesluit van 17 oktober 2025 onrechtmatig is opgelegd.
6. De rechtbank overweegt dat de afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan geen constitutief besluit is, maar een declaratoire handeling. Dat document schept dus geen verblijfsrecht, maar bevestigt slechts

2.ECLI:NL:RVS:2018:1423.

een (al bestaand) verblijfsrecht.3 De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 juni 2025 de aanvraag heeft ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Bij deze aanvraag heeft eiser een Portugese huwelijksakte en meerdere inkomensverklaringen ingediend ter onderbouwing van het verblijfsrecht. Op 29 oktober 2025 heeft de minister het verblijfsdocument aan eiser verstrekt. Vanwege het declaratoire karakter van het verblijfsrecht verbleef eiser in ieder geval vanaf 11 juni 2025 rechtmatig in Nederland op grond van een verblijfstitel. Dat het verblijfsrecht ten tijde van het nemen van het overdrachtsbesluit nog procedureel was, doet hier niet aan af. Gezien het feit dat eiser achter af bezien (niet alleen procedureel) rechtmatig verblijf had ten tijde van de oplegging van het overdrachtsbesluit, is het overdrachtsbesluit onrechtmatig genomen. Eiser is terecht tegen het overdrachtsbesluit in beroep gegaan. Daarom veroordeelt de rechtbank de minister in de vergoeding van de proceskosten.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het overdrachtsbesluit.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1)

3.ECLI:NL:RVS:2018:2097.

Beslissing
De rechtbank verklaart:
  • het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.