Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, werd op 27 november 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had op 24 november 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER en stelde dat hij daardoor rechtmatig verblijf had. De minister betwistte de aanvraag en stelde dat eiser geen rechtmatig verblijf had.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring. Volgens het Unierecht is verblijfsrecht een declaratoir recht dat ontstaat zodra aan de voorwaarden wordt voldaan. De minister had door moeten vragen en eiser de gelegenheid moeten geven bewijs te overleggen. Door dit nalaten was de bewaring onrechtmatig.
De bewaring werd op 4 december 2025 opgeheven. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €800,- voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.814,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.