ECLI:NL:RBDHA:2025:27247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57320
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1c Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid maatregel van bewaring na afwijzing asielaanvraag en toekenning schadevergoeding

Eiser is op 12 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Na afwijzing van zijn asielaanvraag op 27 november 2025 betoogt eiser dat de b-grondslag niet langer van toepassing is en dat de c-grondslag onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat de b-grondslag tot de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig was, maar dat deze daarna niet meer gehandhaafd wordt. De c-grondslag is onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder enkel omstandigheden heeft aangekruist zonder feitelijke toelichting, wat volgens jurisprudentie onvoldoende is.

Hierdoor is de maatregel van bewaring vanaf 28 november 2025 onrechtmatig geworden. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €600,- voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten van €1.814,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel van bewaring wordt opgeheven.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig vanaf 28 november 2025; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57320

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen, omdat hij niet was aangevoerd.
De rechtbank heeft de zaak behandeld in het bijzijn van de gemachtigden en vervolgens het onderzoek op 3 december 2025, om 09:18 uur, geschorst, om eiser op een later tijdstip te horen. De rechtbank heeft op diezelfde dag, om 11:30 uur, eiser (in het telefonische bijzijn van zijn gemachtigde) alsnog gehoord en het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring
1. Eiser betoogt dat hij ten onrechte op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw in bewaring is gesteld. Ten aanzien van de b-grondslag voert eiser aan dat deze vanaf 27 november 2025 niet meer van toepassing is, omdat met het besluit van diezelfde datum, waarbij de asielaanvraag van eiser van 10 november 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond, bewaring niet langer noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Ten aanzien van de c-grondslag voert eiser aan dat deze gebrekkig is gemotiveerd, omdat enkel is aangekruist welke omstandigheden van toepassing zijn en geen nadere toelichting is gegeven.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het besluit van 27 november 2025 de b-grondslag niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd. Ten aanzien van de c-grondslag stelt verweerder zich op het standpunt dat in de maatregel van bewaring geen nadere toelichting is gegeven, maar dat wel is aangekruist welke omstandigheden van toepassing zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een klein motiveringsgebrek, omdat de omstandigheden niet nader zijn toegelicht, maar dit maakt de maatregel volgens verweerder niet onrechtmatig.
3. De rechtbank overweegt ten aanzien van de b-grondslag dat tussen partijen niet in geschil is dat deze tot de afwijzing van eisers asielaanvraag rechtmatig ten grondslag heeft gelegen aan de maatregel van bewaring. Ook in achtneming met de ambtshalve toetsing, zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van de afwijzing van eisers asielaanvraag op enig moment onrechtmatig is geweest.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder de b-grondslag thans niet langer handhaaft. Ten aanzien van de c-grondslag overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 5.1c, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen als bedoeld artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, ten derde, van de Vw alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder met name:
of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet,
de onderbouwing van de aanvraag.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2829, volgt dat het enkel noemen van de omstandigheden waaruit blijkt dat een vreemdeling de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, onvoldoende is om een vreemdeling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring te stellen. Het enkel noemen van deze omstandigheden maakt dus niet dat de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309 volgt immers dat in de maatregel van bewaring de feitelijke en juridische gronden waarop de maatregel van bewaring is gebaseerd, in de maatregel moeten worden vermeld.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Verweerder heeft de omstandigheden enkel aangekruist, maar heeft in zijn geheel nagelaten om een feitelijke toelichting te geven en toe te lichten hoe hieruit zou moeten volgen dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
7. Dit betekent dat de c-grondslag in de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd. Het geconstateerde motiveringsgebrek leidt naar het oordeel van de rechtbank tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De bewaring is gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, met ingang van 28 november 2025, één dag na de afwijzing van eisers zijn asielaanvraag, onrechtmatig geworden.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 28 november 2025 onrechtmatig geworden.
9. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 0 x € 130,- (verblijf politiecel) en 6 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.