Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/4243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 2:5 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen e-mail over renteherziening personeelshypotheek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een e-mailbericht van de gemeente waarin werd meegedeeld dat een renteherziening had plaatsgevonden op zijn personeelshypotheek. Verweerder had het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bericht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreft.

De rechtbank overweegt dat de e-mail van 12 maart 2025 geen publiekrechtelijke beslissing met rechtsgevolg bevat, maar een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. De hypotheekvoorwaarden en renteherziening zijn onderdeel van een privaatrechtelijke verhouding tussen eiser en de hypotheeknemer, waarbij de gemeente slechts een rol speelt in de loonheffing over het rentevoordeel.

Omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Eiser kan tegen de inhouding van loonheffing bezwaar maken bij de belastinginspecteur en tegen de hypotheekvoorwaarden een civiele procedure starten. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en wijst het beroep af zonder inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst het beroep af omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: M.W. van Amerongen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser dat ziet op het emailbericht van verweerder van 12 maart 2025 waarin is meegedeeld dat een renteherziening heeft plaatsgevonden op de personeelshypotheek van eiser.
1.1.
Verweerder heeft op 12 mei 2025 het bezwaar van eiser van 13 maart 2025 nietontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 12 maart 2025 heeft een medewerker van de gemeente eiser bericht dat er op 1 maart 2025 een renteherziening heeft plaatsgevonden op de personeelshypotheek. De nieuwe rente is vastgezet voor 10 jaar. In het bericht wordt toegelicht dat geen sprake meer is van enig rentevoordeel en dat de loonheffing rentevoordeel daarom per direct wordt stopgezet. Eiser is vanaf 1 maart 2025 geen loonheffing rentevoordeel meer verschuldigd. Eiser heeft daarop gereageerd dat er geen renteherziening heeft plaatsgevonden per 1 maart 2025 met zijn toestemming. Hij verwijst daarbij naar zijn bericht van 3 december 2024 aan [bedrijf] N.V. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Deze zaak ziet alleen op de vraag of de rechtbank bevoegd is om het beroep van eiser te behandelen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vraagt de rechtbank om de niet-ontvankelijkverklaring te vernietigen. Daartoe voert hij aan dat er geen door eiser op grond van de Awb ingediend bezwaarschrift aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt. De e-mail van 13 maart 2025 is gericht aan de coördinator
Treasury, Directie Middelen en Control/Treasury en Verbonden Partijen, en niet aan de coördinator bezwaar van de gemeente Den Haag. Eiser heeft nog altijd geen inhoudelijke reactie op zijn e-mail van 13 maart 2025 ontvangen. Hij heeft daarom nog geen feitelijk bezwaarschrift kunnen indienen bij de Adviescommissie bezwaarschriften. Eiser voert aan dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar een uitspraak van rechtbank Noord-Holland [1] niet opgaat. Hij is namelijk geen bezwaarprocedure gestart bij de coördinator bezwaar van de gemeente Den Haag, de bezwaarprocedure is in zijn geval ingeleid door de cöordinator
Treasury […]. De uitspraak van rechtbank Noord-Holland maakt bovendien niet dat géén bestuursrechtelijke procedure kan worden gestart. Hij verzoekt de rechtbank verder onder meer om verweerder op te dragen een juiste opgave van de betaalde hypotheekrente 2024 aan hem en de Belastingdienst te overleggen.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De correspondentie ziet op eisers (personeels)hypotheek (voor de aankoop van een eigen woning) en heeft betrekking op onder meer de hypotheekvoorwaarden en rente. Er is dus sprake van een privaatrechtelijke verhouding met eiser en geen publiekrechtelijke. Verweerder licht toe dat de communicatie over, en het beheer van de hypotheek in principe verloopt via [bedrijf] N.V. De gemeente heeft in deze kwestie een rol vanwege verrekeningen met eisers ontvangen loon in natura in de vorm van genoten rentevoordeel. Eiser is loonheffing verschuldigd over het genoten rentevoordeel. De gemeente neemt de inhouding en afdracht van de loonheffing voor haar rekening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank komt het oordeel dat zij onbevoegd is, omdat geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
De rechtbank overweegt dat eiser bovenaan zijn e-mailbericht van 13 maart 2025 ‘BEZWAARSCHRIFT’ heeft vermeld. Hij noemt in dat bericht dat het bericht van verweerder (van 12 maart 2025) door hem wordt opgevat als een besluit ex. artikel 1:3, eerste lid, van de Awb met toepassing van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bericht van eiser terecht opgevat als bezwaarschrift.
5.2.
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. [2] Onder ‘besluit’ wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
publiekrechtelijkerechtshandeling. [3] Bestuursorganen kunnen zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten. Niet tegen iedere beslissing door een bestuursorgaan staat dus beroep open bij de bestuursrechter.
5.3.
Voor zover eiser in bezwaar opkomt tegen de inhouding van loonheffing door verweerder kan eiser daartegen in beginsel bezwaar maken bij de belastinginspecteur. Een dergelijk geschil kan zo nodig door de belastingrechter worden beoordeeld. [4] Voor zover eiser opkomt tegen de hypotheekvoorwaarden voert verweerder terecht aan dat sprake is van een privaatrechtelijke verhouding met eiser en geen publiekrechtelijke. Wat betreft die hypotheekvoorwaarden bevat het e-mailbericht van 12 maart 2025 geen beslissingen met een publiekrechtelijk rechtsgevolg die maken dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Procederen bij de bestuursrechter daarover is dus niet mogelijk. Eiser kan wat betreft de hypotheekvoorwaarden desgewenst een procedure starten (tegen de hypotheeknemer) bij de burgerlijke rechter. Omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, heeft verweerder het bezwaar terecht nietontvankelijk verklaard.
5.4.
De rechtbank is niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Zij mag de zaak dus niet inhoudelijk behandelen. Eiser krijgt daarom het griffierecht van de rechtbank terug. [5] Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3596.
2.Artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2649, r.o. 4.4.
5.Artikel 2:5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (per 1 juli 2025).