Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag van 24 december 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat partijen geen zitting hebben verzocht. Eiser kreeg vrijstelling van griffierecht. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk is wanneer hij alsnog zal beslissen. De rechtbank legt daarom een nadere beslistermijn van acht weken op, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd.
De rechtbank bepaalt tevens dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Omdat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 zijn komen te vervallen en de minister niet vóór die datum in gebreke is gesteld, kan de dwangsom niet worden vastgesteld als verbeurd.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.