ECLI:NL:RBDHA:2025:2860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
AWB 25/1639
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Rva 2005Art. 11 Rva 2005Art. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen plaatsingsbesluit COa in HTL wegens ernstige bedreigingen ongegrond verklaard

Eiser, een Syrische asielzoeker, werd op 3 januari 2025 door het COa geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen vanwege ernstige gedragsproblemen, waaronder bedreigingen richting COa-medewerkers. Ondanks dat eiser op 8 januari 2025 vrijwillig de HTL verliet, oordeelde de rechtbank dat hij nog steeds belang had bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep tegen het plaatsingsbesluit.

De rechtbank nam kennis van een incident op 12-13 december 2024 waarbij eiser illegale bezoekers op zijn time-out kamer toeliet en daarbij meerdere ernstige bedreigingen uitte, waaronder doodsbedreigingen aan het adres van COa-medewerkers. De rechtbank achtte het COa-besluit tot plaatsing in de HTL goed gemotiveerd en gebaseerd op een incident met zeer grote impact.

Eisers stelling dat het incident verkeerd was geïnterpreteerd, werd verworpen. Ook het argument dat een minder vergaande maatregel passend zou zijn, faalde omdat eerdere minder ingrijpende maatregelen geen effect hadden. De rechtbank bevestigde dat de plaatsing in de HTL een vergaande inperking van bewegingsvrijheid is, maar geen vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM Pro.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het plaatsingsbesluit tot plaatsing in de HTL wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2025 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.G. Matze),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. Bij besluit van 3 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het COa besloten om eiser per die datum op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h. en i. en artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005 [1] te plaatsen in een HTL [2] te Hoogeveen (het plaatsingsbesluit).
1.1.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit beroep ingesteld.
1.2.
Op 8 januari 2025 is eiser vrijwillig vertrokken uit de HTL.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het COa heeft zich laten vertegenwoordigen daar haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Daartoe oordeelt de rechtbank als volgt.
3. Dat eiser op 8 januari 2025 vrijwillig de HTL heeft verlaten, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor zijn procesbelang is komen te vervallen. De niet volbrachte HTL-maatregel van 3 januari 2025 kan in beginsel immers alsnog ten uitvoer worden gebracht zodra eiser zich op een later moment opnieuw meldt voor opvang. Daarom heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep gericht tegen het onderhavige plaatsingsbesluit.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en heeft de rechtbank verzocht dit besluit (gedeeltelijk) te vernietigen. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel op grond waarvan hij zich binnen de HTL en een aangewezen gebied moest begeven. De vraag of eiser mogelijk recht heeft op schadevergoeding over de periode dat hij in zijn vrijheid beperkt is geweest, staat derhalve niet ter beoordeling.
4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5. Uit de verslaglegging van het COa blijkt het volgende. In de nacht van 12 op 13 december 2024 hebben beveiligers op de COa-locatie in Amersfoort geconstateerd dat eiser illegale bezoekers op zijn time-out kamer heeft toegelaten. De COa-medewerkers zijn ’s ochtends hierover geïnformeerd. Vervolgens zijn COa-medewerker 1 en een beveiliger naar de time-out kamer van eiser gegaan en troffen hem daar samen met de illegale bezoekers aan. Even later kwam ook COa-medewerker 2 de time-out kamer binnen en zag een mes liggen en is besloten om de politie te bellen. Hierop heeft eiser COa-medewerker 1 bedreigd met de woorden: “
Als de politie vandaag komt, dan ga ik haar pakken” Daarna heeft eiser het terrein verlaten, maar is later alsnog teruggekomen. In de centrale hal escaleerde de situatie en heeft eiser tegen COa-medewerker 2 gezegd: “
Ik ga jou afmaken, ik moet jou hebben”. In het bijzijn van de politie heeft eiser deze COa-medewerker nogmaals bedreigt met de woorden: “
Als ik vrij kom, dan stuur ik twee jongens op jou af om jou te pakken, ik ga je doodmaken, en je neersteken”.
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.
7. De rechtbank ziet in eisers stelling dat vanuit een volledig verkeerd perspectief naar de voorvallen is gekeken, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De rechtbank gaat dan ook uit van deze verslaglegging.
8. Ook is de rechtbank van oordeel dat het incident terecht is aangemerkt als een incident met zeer grote impact. [3] Eiser heeft ernstige bedreigingen geuit richting COa-medewerkers, waaronder een doodsbedreiging gericht tegen COa-medewerker 2. Dat eisers gedrag zou voortkomen uit negatieve beïnvloeding door de groep waarin hij zich bevindt, doet aan de ernst van het incident niet af.
9. Voor zover eiser betoogt dat een minder vergaande maatregel had moeten worden opgelegd omdat hij vooral hulp nodig heeft, treft dat geen doel. Met minder vergaande maatregelen als (correctie-)gesprekken, ROV-maatregelen en time-outs, heeft het COa al geprobeerd het gedrag van eiser te corrigeren. Dat heeft niet het gewenste effect gehad. Eiser is blijven volharden in het ongewenste gedrag. Het COa heeft overtuigend uiteengezet dat de veiligheid en leefbaarheid op het azc als gevolg van het gedrag van eiser door het incident op 13 december 2024 in het geding zijn gekomen. Dat betekent dat het COa om de rust op het azc terug te laten keren en om eiser een gepaste omgeving te bieden waar hij de juiste begeleiding krijgt en aan zijn gedrag kan werken, heeft mogen overgaan tot plaatsing in de HTL.
10. Tot slot verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 11 september 2024 [5] , waarin is geoordeeld dat overplaatsing naar de HTL een vergaande inperking van de bewegingsvrijheid van de vreemdeling vormt, maar geen vrijheidsontneming is in de zin van artikel 5 van Pro het EVRM. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van de stelling dat er sprake is van vrijheidsontneming geen bespreking behoeft.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier op 26 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Handhaving- en Toezichtlocatie.
3.Onder gedragingen met een zeer grote impact wordt, zoals volgt uit het Maatregelenbeleid van het COa, onder andere verstaan “agressie en geweld tegen medebewoners en/of derden met een zeer grote impact, zoals gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen”.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1079, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564.