Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2025 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
11 februari 2025.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Algerijnse nationaliteit dragende man die sinds 1994 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van dit vereiste kon worden verleend. Daarnaast werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker stelde dat zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, met name vanwege zijn relatie met zijn minderjarige zoon die in Nederland woont. De rechtbank oordeelde echter dat er geen beschermenswaardig gezinsleven bestaat tussen verzoeker en zijn zoon, mede omdat er geen hechte persoonlijke banden zijn en de omgangsregeling door de familierechter was afgewezen vanwege de onstabiele situatie van verzoeker.
Ook ten aanzien van het privéleven erkende de rechtbank dat verzoeker een privéleven in Nederland heeft opgebouwd, maar dat het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van de verblijfsregels en bescherming van de openbare orde zwaarder weegt. De belangenafweging viel daarom in het nadeel van verzoeker uit. Het bezwaar van verzoeker had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 EVRM en het mvv-vereiste terecht is toegepast.