ECLI:NL:RBDHA:2025:3261
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Kroatië
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser betoogde dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Kroatië vanwege pushbacks, ontoereikende opvangvoorzieningen en schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Hij verwees naar diverse rapporten, jurisprudentie en notities ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en onderbouwde informatie heeft overlegd die afwijkt van de landeninformatie die de Afdeling bestuursrechtspraak reeds heeft beoordeeld. De minister mocht uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel en hoefde de asielaanvraag niet aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de connexiteit was vervallen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter C.I.H. Kerstens-Fockens.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.