ECLI:NL:RBDHA:2025:3737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering Participatiewet wegens onvoldoende bijstandsbehoefte
Verzoekers hebben twee aanvragen voor een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend, welke beide door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland zijn afgewezen. Zij maakten bezwaar en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege dreigende financiële nood, maar dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij daadwerkelijk bijstandsbehoevend waren. Verweerder had bankafschriften over een langere periode dan drie maanden opgevraagd vanwege concrete aanwijzingen, waaronder eerdere beëindiging van bijstand wegens het niet overleggen van bankafschriften en het leven van leningen.
Uit de bankafschriften bleek dat er veel stortingen en afschrijvingen waren, waarvan het merendeel onduidelijk was. Ook was er onduidelijkheid over het gebruik van een auto, terwijl verzoekers zelf geen auto bezitten. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekers onvoldoende duidelijkheid hadden verschaft over hun financiële situatie en dat de bestreden besluiten naar verwachting stand zullen houden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandsbehoevendheid.