ECLI:NL:CRVB:2014:1961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand na onterechte afwijzing wegens onjuiste inlichtingenverplichting
Appellant vroeg op 2 augustus 2013 bijstand aan. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij sinds oktober 2009 in zijn levensonderhoud voorzag. Dit besluit was mede gebaseerd op een analyse van inkomsten en uitgaven over ruim 3,5 jaar.
Appellant maakte bezwaar en kreeg een voorlopige voorziening toegewezen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter vond dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden, onder meer vanwege discrepanties rond een onderhuurder en waterverbruik.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet onjuist had verklaard en dat het dagelijks bestuur de reikwijdte van de inlichtingenplicht onaanvaardbaar had opgerekt. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur geen concrete aanleiding had om een zo lange periode te onderzoeken en dat de analyse van het inkomstenpatroon onvoldoende relevant was voor de aanvraagperiode.
De Raad concludeerde dat appellant in de relevante periode bijstandbehoevend was en dat het recht op bijstand ten onrechte was geweigerd. Het besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter werden vernietigd, en de Raad bepaalde dat bijstand vanaf 10 juli 2013 moet worden toegekend. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van bijstand wordt vernietigd; bijstand wordt toegekend vanaf 10 juli 2013.