ECLI:NL:RBDHA:2025:3839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
25.9111
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank veroordeelt minister tot besluitvorming binnen twee weken op asielaanvraag na overschrijding beslistermijn

De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 2 mei 2022. Eerder had de rechtbank Zwolle het eerdere afwijzende besluit vernietigd en de minister een termijn van drie maanden gegeven om een nieuw besluit te nemen. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden.

De minister heeft tot op heden geen nieuw besluit genomen, waardoor het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank legt de minister op om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag vast, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro, gezien de kennelijke gegrondheid van het beroep en de overschrijding van de beslistermijn.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 2 mei 2022.
2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Een (nieuwe) ingebrekestelling is niet vereist wanneer de bestuursrechter een concrete beslistermijn heeft bepaald en het bestuursorgaan deze ongebruikt heeft laten verstrijken.
5. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft op 18 december 2023 het inhoudelijke beroep van eiser (NL23.18267) tegen het afwijzende besluit op de aanvraag gegrond verklaard, het besluit van 16 juni 2023 vernietigd, en aan de minister een termijn van drie maanden opgelegd om een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen. Eiser heeft op 11 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag.
6. Tot op heden heeft de minister nog altijd geen nieuw besluit genomen. Het beroep is kennelijk gegrond.
7. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie hierover (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353), alleen een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb bepalen dat de minister alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het 8+8-wekenmodel passend geacht. De rechtbank ziet aanleiding daarover anders te oordelen in deze zaak. Omdat er inmiddels ruim een jaar verstreken is na de hierboven aangehaalde rechterlijke beslistermijn, en ook de 21 maanden termijn fors is overschreden, acht de rechtbank het niet onmogelijk voor de minister om binnen twee weken alsnog een nieuw besluit bekend te maken.
8. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een (rechterlijke) dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van
€ 7.500,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister een dwangsom wordt opgelegd.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.