Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2000 in Syrië,
de Minister van Asiel en Migratie,
Verzoek voeging op grond van artikel 54 van Pro het Reglement voor de procesvoering
Procesverloop
Overwegingen
de uitvoering van een terugkeerbesluit door de autoriteitenleidt tot blootstelling aan een reëel risico van een behandeling in strijd met artikel 18 of Pro artikel 19, lid 2, van het Handvest. De rechtbank vraagt zich dan ook af of artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 moet worden beschouwd als de uitwerking van de algemene regel die in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 is neergelegd. Doordat de lidstaten verplicht zijn om de verwijdering uit te stellen in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, lijkt de eerbiediging van beginsel van non-refoulement immers te allen tijde en ten volle te worden gewaarborgd. De Uniewetgever heeft uitdrukkelijk geregeld in welke situatie de lidstaat geen verplichting heeft om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De Uniewetgever heeft ook uitdrukkelijk geregeld wanneer de lidstaat de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting door de autoriteiten moet uitstellen. De rechtbank leidt uit deze uitdrukkelijke regelingen af dat deze uitputtend bedoeld zijn en dat met dit gesloten systeem op deze wijze wordt beoogd om een doeltreffend verwijderings‑ en terugkeerbeleid te ontwikkelen, wat immers het hoofddoel van richtlijn 2008/115 is. De rechtbank merkt in dit verband op dat de Uniewetgever niet expliciet heeft bepaald dat het niet kunnen verwijderen, meebrengt dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd en de illegaal verblijvende derdelander dus geen terugkeerverplichting heeft ondanks dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot, dan wel verblijf of vestiging in de lidstaat waar hij verblijft. Ook heeft de Uniewetgever niet voorzien in een regeling inhoudende dat het moeten uitstellen van de verwijdering na ommekomst van een zekere periode gevolgd moet worden door het intrekken van een terugkeerbesluit incluis de terugkeerverplichting voor de illegaal verblijvende derdelander. Het gebruik van de bewoordingen “uitstel van de verwijdering” impliceert bovendien dat de plicht om tot verwijdering over te gaan indien de derdelander niet vrijwillig terugkeert, blijft bestaan. Het moeten uitstellen van de verwijdering is immers zinledig als de plicht om tot verwijdering over te gaan niet ontstaat of niet bestaat. Uit de bewoordingen van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden afgeleid dat de Uniewetgever heeft beoogd dat, in aanvulling op de uitzonderingen genoemd in artikel 6 van Pro richtlijn 2008/115, ook geen plicht bestaat om een terugkeerbesluit uit te vaardigen indien de verwijdering moet worden uitgesteld, dan wel dat een reeds uitgevaardigd terugkeerbesluit in die situatie moet worden ingetrokken. De Uniewetgever heeft daarentegen nu juist uitdrukkelijk geregeld dat -uitsluitend- de verwijdering moet worden uitgesteld.
énaan de verwijdering. Deze belangen hebben dan betrekking op een hoedanigheid die is verbonden met de persoon van de betrokken derdelander. Indien een dergelijk belang in de weg staat aan de verwijdering door de autoriteiten naar het land van bestemming, zal dit niet zelden ook in de weg staan aan het voldoen aan de verplichting van de derdelander om naar enig ander derde land te vertrekken. Het refoulementbeginsel kan ook verband houden met de hoedanigheid van de persoon van de betrokken derdelander, maar hangt in ieder geval altijd samen met de situatie in het land van bestemming. Dit betekent niet zonder meer dat het refoulementrisico ook zal worden aangenomen ten aanzien van andere derde landen en staat dan ook niet zonder meer in de weg aan vertrek naar andere derde landen. Waar de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan vrijwillig vertrek uit de lidstaat en terugkeer naar elk derde land, staat het refoulementbeginsel veeleer uitsluitend in de weg aan verwijdering naar het land van herkomst (of ander derde land dat als land van bestemming is aangemerkt).
niettevens in de weg staan aan het niet vrijwillig of zelfstandig kunnen voldoen aan de terugkeerplicht door de derdelander, er
wéleen terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld en daarmee voor de illegaal verblijvende derdelander een terugkeerverplichting ontstaat, terwijl de lidstaat de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting moet uitstellen en dit schriftelijk moet bevestigen aan de betreffende derdelander. Doordat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de verwijdering moet worden uitgesteld indien de verwijdering in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, wordt het absolute verbod op refoulement ten volle nageleefd, terwijl de lidstaat ook voldoet aan haar verplichting ingevolge richtlijn 2008/115 om door middel van het nemen van een terugkeerbesluit het onrechtmatige verblijf vast te stellen en de illegaal verblijvende derdelander te verplichten om het grondgebied van de Unie te verlaten.
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 67 geformuleerde vraag;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.