ECLI:NL:RBDHA:2025:3920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
NL25.9655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115/EGEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding vreemdeling

Eiser, een Ghanese vreemdeling, had beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die door verweerder was opgelegd en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel was inmiddels opgeheven op 30 januari 2025. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.

Eiser voerde aan dat verweerder niet had voldaan aan een verzoek om een voortgangsrapport, dat het voortduren van de bewaring in strijd was met de Terugkeerrichtlijnen en het EVRM, en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie en de lange duur van de bewaring. Tevens stelde hij dat de uitzetting onrechtmatig was omdat deze niet onder medische begeleiding had plaatsgevonden en verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld.

De rechtbank stelde vast dat deze gronden grotendeels herhalingen waren van eerdere procedures en dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had ingebracht. Ondanks het ontbreken van een voortgangsrapport was voldoende gebleken dat verweerder voortvarend had gehandeld om tot uitzetting te komen. De ambtshalve toetsing leidde eveneens niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9655

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 30 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 7 maart 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Ghanese nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 17 januari 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om een voortgangsrapport toe te zenden, zodat reeds hierom het beroep gegrond is. Verder voert hij aan dat het voortduren van de maatregel van bewaring in strijd is met de Terugkeerrichtlijn [3] en het EVRM [4] . Eiser heeft op 18 oktober 2024 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw ingediend. Uit het advies van het BMA [5] blijkt dat bij het uitblijven van een medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Ter verdere onderbouwing verwijst eiser naar een brief van 2 december 2024 van verweerder. Gelet op deze omstandigheid en eiser geen toegang tot passende medische zorg heeft gehad, is het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan onrechtmatig geweest. Daarnaast is niet gebleken dat eiser is uitgezet onder begeleide van een medische verpleegkundige, zodat ook de uitzetting onrechtmatig was. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar het arrest Paposhvili [6] . Daarnaast heeft verweerder geen effectieve en betekenisvolle uitzettingshandelingen verricht om tot eisers uitzetting te komen, zodat hij tot aan de opheffing van de maatregel van bewaring onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Tot slot heeft eiser bijna een jaar in bewaring gezeten en niet is gebleken van een verzwaarde belangenafweging waarbij zijn medische omstandigheden zijn betrokken, zodat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Er is onvoldoende rekening gehouden met de negatieve impact vanwege de lange duur en de wijze van de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in een zeer strikt bewaringsregime. Verweerder heeft niet voldaan aan de vereisten van het arrest Mahdi [7] .
5. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde gronden (in essentie) een herhaling zijn van wat eiser in eerdere procedures (meermaals) tegen het voortduren van de maatregel van bewaring heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraken die in rechtsoverweging drie van deze uitspraak zijn opgenomen. Eiser heeft in de huidige procedure, anders dan hij stelt, geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht, zodat geen aanleiding wordt gezien voor een ander oordeel. Verder is, ondanks dat geen voortgangsrapport is toegezonden, niet gebleken dat verweerder tot aan de opheffing van de maatregel van bewaring onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk voldoende dat verweerder in de periode van 17 januari 2025 tot 30 januari 2025 voortvarend heeft gehandeld om tot eisers uitzetting te komen op 30 januari 2025. Eiser is immers uitgezet. En op 21 januari 2025 heeft nog een vertrekgesprek met eiser plaatsgehad.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 7 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3343, 17 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5897, 31 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8703, 12 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11014, 26 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13590, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16578, 6 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20371 en 24 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:798.
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Bureau Medische Advisering.
6.EHRM 13 december 2016, ECLI:EU:ECHR:2016:1213JUD00417381.
7.HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.