Eiser diende op 20 maart 2024 een asielaanvraag in. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest de minister binnen zes maanden een beslissing nemen, dus uiterlijk 20 september 2024. De minister verlengde echter de beslistermijn met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, vanwege een groot aantal aanvragen, zoals bevestigd door de rechtbank in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2025:940).
Eiser stelde dat de minister niet tijdig had beslist en diende een ingebrekestelling in op 24 september 2024. De rechtbank oordeelde dat deze ingebrekestelling prematuur was omdat de verlenging rechtsgeldig was. Hierdoor voldeed het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
De rechtbank besloot het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen stemden in met het niet houden van een zitting. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Munsterman en griffier F.Q. Peters.
Indien eiser het niet eens is met deze uitspraak, kan hij binnen vier weken beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.