Eiser diende op 8 maart 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest de minister binnen zes maanden een besluit nemen, wat neerkwam op 8 september 2024. De minister verlengde echter de beslistermijn met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet, vanwege een grote instroom van vreemdelingen.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2025:940) waarin werd geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig was. Hierdoor was de ingebrekestelling van eiser op 4 oktober 2024 prematuur ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat stelt dat een beroepschrift pas kan worden ingediend nadat een schriftelijke ingebrekestelling is ontvangen en twee weken zijn verstreken.
De rechtbank besloot het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Munsterman zonder zitting, na instemming van partijen met het sluiten van het onderzoek zonder mondelinge behandeling.