ECLI:NL:RBDHA:2025:4423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvragen machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn ouders en broertjes, op grond van het EVRM artikel 8. De minister van Asiel en Migratie heeft de beslistermijn verlengd, maar heeft niet binnen de verlengde termijn besloten. Eiser stelde de minister rechtsgeldig in gebreke en diende tijdig beroep in.
De minister hanteert het FIFO-principe voor de behandeling van nareisaanvragen, waardoor de aanvragen van eiser pas in juli 2026 aan de beurt zouden zijn. De rechtbank wijst het verzoek af om de behandeling van het beroep aan te houden en overweegt dat het beroep gegrond is vanwege het niet tijdig beslissen.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van verbeurde bestuurlijke dwangsommen, proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.