ECLI:NL:RBDHA:2025:443
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering uitstel vertrek om medische redenen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af te wijzen. De minister baseerde zich op een advies van het Bureau Medisch Advisering (BMA) dat stelde dat noodzakelijke medische behandeling in Irak beschikbaar is, ondanks een te verwachten medische noodsituatie bij uitblijven van behandeling.
Eiser stelde dat zijn medische situatie was verslechterd en dat de behandeling in Irak niet feitelijk toegankelijk was, onder meer vanwege financiële beperkingen en het ontbreken van een sociaal netwerk. De rechtbank oordeelde dat eiser deze stellingen onvoldoende had onderbouwd met concrete feiten of nieuwe medische stukken. Ook verwees de rechtbank naar het bestaande terugkeerbesluit uit 2014, waarbij reeds een beoordeling van artikel 8 EVRM Pro had plaatsgevonden.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het advies van het BMA onjuist was of dat het terugkeerbesluit niet gehandhaafd kon worden. Daarnaast mocht de minister afzien van het horen van eiser in bezwaar, omdat diens stellingen onvoldoende waren onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.