ECLI:NL:RVS:2022:1732
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitstel van vertrek vreemdeling wegens onvoldoende aantonen noodzakelijke zorg in Angola
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 september 2021 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 2 december 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 april 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zodat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt.
De Afdeling bevestigde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen toegang heeft tot noodzakelijke zorg in Angola. De enkele stelling dat hij aangewezen is op private gezondheidszorg zonder concrete onderbouwing van de kosten of ontoegankelijkheid om financiële redenen volstaat niet. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; het uitstel van vertrek blijft geweigerd.