ECLI:NL:RBDHA:2025:4472
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
Eiser, met Somalische nationaliteit, verblijft sinds 16 november 2024 in grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 behandeld. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat de detentie onredelijk lang duurt, mede door de lange duur van de asielprocedure. Verweerder heeft toegelicht dat uitzettingshandelingen pas na afronding van het asielberoep kunnen worden ingezet en dat continu een belangenafweging plaatsvindt.
De rechtbank oordeelt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het vorige onderzoek rechtmatig was en dat alleen de periode daarna relevant is. De overschrijding van de aanvaardbare termijn van negen weken grensdetentie is onvoldoende om de maatregel onredelijk te achten. De vertraging in de asielprocedure wordt mede veroorzaakt door het onderzoek naar de authenticiteit van het door eiser overgelegde Keniaanse paspoort, wat in de risicosfeer van eiser ligt.
Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die de voortzetting onevenredig bezwarend maken, en het belang van grensbewaking, wijst de rechtbank het beroep af en ziet geen aanleiding voor schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.