ECLI:NL:RBDHA:2025:4537
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie
Eiser was sinds 31 oktober 2024 in strafrechtelijke detentie en werd vervolgens in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de minister niet voldeed aan zijn inspanningsverplichting om hem direct na detentie uit te zetten. De minister erkende deze schending, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet automatisch tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. Een belangenafweging wees uit dat de maatregel gerechtvaardigd was, mede omdat de strafzitting op 8 januari 2025 nog onduidelijkheid gaf over de einddatum van detentie en de minister daarna voortvarend handelde met vertrekgesprekken en een geplande vlucht op 14 maart 2025.
Verder voerde eiser aan dat de overname en ophouding onrechtmatig waren vanwege onduidelijkheid over de rechtsgrondslag. De rechtbank volgde dit niet en stelde dat de ophouding terecht plaatsvond op grond van artikel 50, tweede lid, Vw, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De aanwezigheid van een kopie van het paspoort in het dossier werd niet als voldoende authentiek bewijs van identiteit beschouwd.
De rechtbank concludeerde dat de beroepsgronden niet tot onrechtmatigheid van de bewaring leidden. Ook ambtshalve toetsing aan EU-recht bood geen aanleiding tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd ondanks de erkende schending van de inspanningsverplichting.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.