ECLI:NL:RBDHA:2025:4587
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd ingediend op 8 augustus 2023, terwijl de minister uiterlijk op 6 februari 2024 had moeten beslissen. De minister heeft de beslistermijn verlengd en hanteert het fifo-principe, waardoor de aanvraag pas in juni 2025 in behandeling wordt genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig is ingesteld en gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Het verzoek om de behandeling aan te houden wordt afgewezen, omdat dit niet verenigbaar is met het rechtsmiddel en er geen sprake is van overmacht.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen en proceskosten aan eiser, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.