ECLI:NL:RBDHA:2025:4687
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen niet tijdig besluit nareis asielgezinnen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenote en kinderen. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend, waarna de rechtbank zonder zitting uitspraak doet.
De rechtbank wijst het verzoek om griffierechtvrijstelling toe vanwege betalingsonmacht. De aanvraag werd ingediend op 1 mei 2024, met een beslistermijn van 90 dagen plus een verlenging van drie maanden, waardoor uiterlijk 30 oktober 2024 een besluit verwacht werd. Deze termijn is verstreken zonder besluit. Eiser stelde verweerder op 10 januari 2025 rechtsgeldig in gebreke en diende op 31 januari 2025 het beroep in, wat tijdig is.
De rechtbank oordeelt dat de situatie een bijzonder geval betreft vanwege de aard van de aanvraag (gezinshereniging asielvergunninghouders) en legt op grond van artikel 8:55d Awb een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak op voor het nemen van een besluit. Indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld, geldt een termijn van twintig weken. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van €453,50.
De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van dwangsommen.