ECLI:NL:RBDHA:2025:4713
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf ouders jongvolwassene onder jongvolwassenbeleid
De ouders van een jongvolwassene met een verblijfsvergunning asiel in Nederland hadden een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun zoon te kunnen verblijven. De minister wees deze aanvragen af op grond van het jongvolwassenbeleid en maakte een belangenafweging op basis van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en dat het economisch belang van de Nederlandse staat, waaronder het restrictieve toelatingsbeleid, zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de vreemdelingen. De rechtbank stelt dat ondanks de objectieve belemmering om het familieleven in het land van herkomst uit te oefenen, de belangenafweging niet onredelijk is.
Verder oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht omdat de minister de feiten al kende en het ging om een herweging. Ook is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op deze aanvraag van meerderjarige kinderen en is er geen sprake van schending van artikel 3 EVRM Pro.
De beroepen worden ongegrond verklaard, de ouders krijgen geen vergoeding van proceskosten en het besluit van de minister blijft in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de mvv-aanvragen worden ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.